Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Zuid-Amerikaanse maskerzanger

Zuid-Amerikaanse maskerzanger | Geothlypis aequinoctialis

Masked Yellowthroat | Mascarita equinoccial

De Zuid-Amerikaanse maskerzanger is een standvogel van natte graslanden en moerassen in het noorden van Zuid-Amerika, die in het Caribisch gebied alleen op Trinidad voorkomt. Het mannetje draagt een zwart masker op een gele kop, net als de Noord-Amerikaanse gewone maskerzanger. Vroeger werden ook vogels uit Midden-Amerika en het zuiden en westen van Zuid-Amerika tot deze soort gerekend; volgens het IOC zijn Geothlypis auricularis, G. velata en G. chiriquensis nu aparte soorten, zodat de soort in engere zin monotypisch is.

Zuid-Amerikaanse maskerzanger (Geothlypis aequinoctialis)
Foto: Hector Bottai — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een melodieus, snel gekweel van ongeveer twee seconden, of een dalende reeks van zo'n twintig heldere tonen; vooral 's ochtends te horen. De roep is een kort, rasperig prjoe of tsjroe.

Luister: ZangXC1085498

Opname: Pedro Rinaldi — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–14 cm, met een vrij lange staart en een stevige, donkere snavel. Het mannetje heeft een zwart masker over voorhoofd, teugel en wang, aan de bovenkant begrensd door een smalle, leigrijze band die in de grijze kruin overgaat. Bovendelen olijfgroen, keel en onderdelen helder geel, ook de buik. Het vrouwtje heeft geen masker: de kop is olijfgrijs, met gelige teugels en een vage gele oogring, en de onderdelen zijn doffer geel.

Verwarrings­soorten

De gewone maskerzanger Geothlypis trichas, een zeldzame wintergast uit Noord-Amerika op Trinidad, heeft een witte of grijswitte band boven het zwarte masker, een witachtige buik en bruinige flanken; vrouwtjes hebben een gele keel die afsteekt tegen een lichtere buik. De gele zanger Setophaga aestiva en de mangrovezanger Setophaga petechia hebben geen masker, een geel gezicht en gele randen aan vleugels en staart, en leven hoger in bomen en mangrove.

Leefgebied

Zoetwatermoerassen met hoog gras, riet en biezen, overstroomde savanne, vochtige graslanden, randen van rijstvelden en natte weilanden, ook ruigten langs sloten. Leeft meestal in paren, laag in dichte begroeiing, maar zingt vanaf de toppen van riet- en grasstengels. Eet insecten en spinnen. Het nest is een kom laag in dichte vegetatie; het legsel bestaat uit drie tot vijf witte, gespikkelde eieren.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen op Trinidad, waar de soort lokaal voorkomt in moerassen en natte graslanden in het laagland, onder meer rond het Caroni-moeras en het Nariva-moeras; niet op Tobago. Buiten het gebied in Colombia, Venezuela, de Guyana's en het noorden van Brazilië, tot ongeveer 900 m hoogte.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het beste in de vroege ochtend langs de randen van zoetwatermoerassen en rijstvelden op Trinidad, wanneer mannetjes vanaf hoge stengels zingen. Bij een maskerzanger op Trinidad is het belangrijk te letten op de grijze band boven het masker en de geheel gele buik, om de gewone maskerzanger uit te sluiten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort heeft een groot verspreidingsgebied en past zich aan door de mens beïnvloede natte gebieden aan, zoals plantages en zuiveringsmoerassen. Plaatselijk verdwijnt leefgebied door het droogleggen van moerassen en de omzetting van natte graslanden.

Wetenschappelijke naam

Geothlypis aequinoctialis | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Motacilla aequinoctialis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Geothlypis werd in 1847 ingevoerd door Cabanis. Geothlypis is Grieks, van gē 'aarde, grond' en thlupis, een niet nader bekend klein vogeltje: 'grondzangertje', naar het leven laag in dichte begroeiing. aequinoctialis is Latijn voor 'equatoriaal' (van aequinoctium 'equinox'), naar de herkomst uit de tropen rond de evenaar. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cayenne, Frans-Guyana.