Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Grijskopzanger
Grijskopzanger | Geothlypis philadelphia
Mourning Warbler | Reinita plañidera
De grijskopzanger is een verborgen levende zanger met een grijze kap, die broedt in ruigten, kapvlakten en jonge bosopslag in Canada en het noordoosten van de Verenigde Staten. Hij trekt vooral over land door Mexico en Midden-Amerika naar het overwinteringsgebied van Nicaragua tot Ecuador en Venezuela. Het Caribisch gebied ligt daardoor buiten de hoofdtrekroute; de soort wordt er slechts zelden gezien.
Geluid
De roep is een laag, rasperig tsjek. De zang, in het broedgebied en soms op de voorjaarstrek, bestaat uit twee delen met heldere, rollende tonen, tsjoerie-tsjoerie-tsjoerie, tsjorre-tsjorre.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
12–13 cm, met roze poten. Het mannetje heeft een blauwgrijze kap over kop, keel en borst, met een zwarte, geschubde vlek op de onderkeel en bovenborst, en geen oogring. Bovendelen olijfgroen, buik en onderstaart helder geel. Het vrouwtje heeft een lichter grijze kap zonder zwart en vaak een dunne, onderbroken oogring. Jonge vogels hebben een olijfgrijze, soms onvolledige kap, een gelige keel en een smalle, onderbroken lichte oogring.
Verwarringssoorten
De connecticutzanger Oporornis agilis is groter, met langere onderstaartdekveren, een volledige, brede witte oogring in alle kleden en de gewoonte om over de grond te lopen in plaats van te huppen. De nashvillezanger Leiothlypis ruficapilla is kleiner, met een gele keel en een volledige oogring. De kentuckyzanger Geothlypis formosa heeft een gele wenkbrauwstreep en een zwarte wang; vrouwtjes van de gewone maskerzanger Geothlypis trichas hebben geen grijze kap en een lichtere buik.
Leefgebied
Dichte ondergroei aan bosranden, open plekken in halfgroen en kalksteenbos, ruigten en verwilderde akkers. Zoekt laag in de begroeiing en op de grond naar insecten en huppelt daarbij; laat zich zelden in het open zien.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Zeldzame doortrekker op Cuba. Dwaalgast op de Bahama's, Jamaica, de Kaaimaneilanden, Hispaniola (vooral de Dominicaanse Republiek) en Puerto Rico. Broedt in Canada en het noordoosten van de Verenigde Staten, en overwintert van Nicaragua tot Ecuador, Venezuela en het noorden van Brazilië.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De beste kans is op Cuba in september–oktober en mei, in dichte ruigte en ondergroei aan bosranden. Het helpt om bij een laag, rasperig tsjek uit dekking geduldig te wachten tot de vogel even zichtbaar wordt; de kap, de keel en de oogring zijn dan het belangrijkst voor de determinatie.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De populatie is groot, met een lichte afname op lange termijn. De soort profiteert in het broedgebied van open plekken en jonge bosopslag na kap.
Wetenschappelijke naam
Geothlypis philadelphia | (Wilson, 1810)
Wilson beschreef de soort in 1810 als Sylvia Philadelphia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Geothlypis werd in 1847 ingevoerd door Cabanis. Geothlypis is Grieks, van gē 'aarde, grond' en thlupis, een niet nader bekend klein vogeltje: 'grondzangertje', naar het leven laag in dichte begroeiing. philadelphia verwijst naar Philadelphia (Pennsylvania), waar Alexander Wilson het eerste exemplaar verzamelde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit omgeving van Philadelphia, Pennsylvania (VS).


