Alle soorten › Zangvogels › Spotlijsters › Witoogspotlijster

Witoogspotlijster | Margarops fuscatus

Pearly-eyed Thrasher | Zorzal pardo

De witoogspotlijster is de grootste spotlijster van het gebied en een bosvogel van Puerto Rico, de Maagdeneilanden en een groot deel van de Kleine Antillen. Hij is brutaal, luidruchtig en eet vrijwel alles, van vruchten tot hagedissen, eieren en jonge vogels. Zijn witte iris geeft hem een starende blik. Op Puerto Rico vormt hij een bekend probleem voor de bescherming van de Puerto Ricaanse amazone.

Witoogspotlijster (Margarops fuscatus)
Foto: Mike's Birds — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een reeks trage, gefloten frasen van één tot drie noten met lange pauzes ertussen, vaak al voor de dageraad en soms ook 's nachts. Daarnaast ruwe, schorre roepen als kraa-kraa en tsjoek-tsjoek.

Luister: ZangXC959998

Opname: Shelby M Palmer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

28–30 cm, groot en stevig, met een lange staart en een zware, licht gebogen snavel die geelachtig tot hoornkleurig is, met een donkerder punt. De bovendelen zijn egaal bruin, de onderdelen wit met brede bruine strepen en schubben op keel, borst en flanken. De staart is bruin met brede witte punten aan de buitenste veren. De iris is wit. De seksen zijn gelijk; vrouwtjes zijn gemiddeld iets groter.

Verwarrings­soorten

De geschubde spotlijster Allenia fusca is kleiner en slanker, met een kortere, zwartachtige snavel, een witte vleugelstreep, een lichtgele iris en dichter gevlekte borst. De antillenlijster Turdus lherminieri heeft een gele snavel, gele poten en een gele oogring. De sidderspotlijsters Cinclocerthia hebben een lange, dunne snavel en een ongevlekte onderzijde. De spotlijsters Mimus zijn grijs en lichter, zonder strepen.

Leefgebied

Vrijwel alle bostypen, van droog kustbos en kuststruweel tot vochtig bos en bergbos, verder koffieplantages, tuinen, hotelterreinen en bebouwing met bomen. Nestelt in boomholten, nestkasten, holen in rotsen en gebouwen. Omnivoor: eet insecten, vruchten en bessen, maar ook hagedissen, kikkers en de eieren en jongen van andere vogels.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Standvogel op de zuidelijke Bahama's (onder meer San Salvador, de Exuma's en Long Island; op enkele noordelijker eilanden vooral 's winters), de Turks- en Caicoseilanden, het oosten van de Dominicaanse Republiek en Isla Beata, Puerto Rico met Mona, Vieques en Culebra, de Maagdeneilanden en de Kleine Antillen van Saba tot Saint Vincent en de Grenadines. Verdwenen van Barbados en Grenada. Een geïsoleerde populatie leeft op Bonaire; die op de eilanden voor Venezuela is uitgestorven. In Haïti, op Cuba, Jamaica, de Kaaimaneilanden, Aruba, Curaçao en Trinidad en Tobago ontbreekt de soort.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op Puerto Rico, de Maagdeneilanden en eilanden als Dominica en Guadeloupe vaak te zien, ook bij hotels en picknickplaatsen, waar de vogel brutaal op voedsel afkomt. De witte iris en de zware lichte snavel onderscheiden hem van de geschubde spotlijster.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort heeft profijt van verstoorde en bewoonde gebieden en heeft zich op verschillende eilanden uitgebreid. Door het roven van nesten en het bezetten van boomholten bedreigt ze op Puerto Rico de broedsels van de Puerto Ricaanse amazone, waarvoor speciale maatregelen bij de nestkasten nodig zijn.

Wetenschappelijke naam

Margarops fuscatus | (Vieillot, 1808)

Vieillot beschreef de soort in 1808 als Turdus fuscatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Margarops werd in 1859 ingevoerd door Sclater. Margarops is Grieks, van margaron 'parel' en ōps 'oog', naar de witte, parelachtige iris. fuscatus is Latijn voor 'verdonkerd, donker', naar het donkerbruine verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Grote Antillen, vooral Puerto Rico en Hispaniola.