Alle soorten › Stormvogelachtigen › Zuidelijke stormvogeltjes › Wilsons stormvogeltje

Wilsons stormvogeltje | Oceanites oceanicus

Wilson's Storm Petrel | Paíño de Wilson

Wilsons stormvogeltje broedt rond Antarctica en op subantarctische eilanden en trekt in de zuidelijke winter naar het noorden, tot ver in de Noord-Atlantische Oceaan. Het geldt als een van de talrijkste zeevogels ter wereld. In de Caribische wateren is het een schaarse doortrekker en zomergast, die vooral op zee en vanaf schepen wordt gezien.

Wilsons stormvogeltje (Oceanites oceanicus)
Foto: JJ Harrison — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee meestal stil; bij het foerageren soms een zacht piepend getjilp.

Luister: AlarmroepXC882200

Opname: Fabrice Schmitt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

16–19 cm. Een klein, donker roetbruin stormvogeltje met een brede, zuiver witte stuitband die doorloopt tot op de zijkanten van de onderstaartdekveren. Op de bovenvleugel een vage lichte baan over de grote dekveren. De vleugels zijn kort en vrij breed, met een vrij rechte achterrand; de staart is recht afgesneden. De lange poten steken in vlucht voorbij de staartpunt uit; de zwemvliezen zijn geel, maar dat is in het veld zelden te zien. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

Het vaal stormvogeltje Hydrobates leucorhous is iets groter, met langere, bij de pols geknikte vleugels, een gevorkte staart, een duidelijkere lichte vleugelbaan, een stuit die vaak in het midden donker gedeeld is en poten die niet voorbij de staart uitsteken; het vliegt grilliger, met abrupte wendingen. Het zeldzame madeirastormvogeltje Hydrobates castro heeft een smallere stuitband, langere vleugels, kortere poten en een stijvere, pijlstormvogelachtige vlucht.

Leefgebied

Open oceaan en het water boven het continentaal plat, soms dichter onder de kust. Foerageert al fladderend vlak boven het water, met geheven vleugels en de poten trippelend op het oppervlak, en pikt plankton, kleine kreeftachtigen en visresten op. Volgt graag schepen en komt af op lokvoer.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Doortrekker en zomergast op zee in het hele gebied, met de meeste waarnemingen rond Puerto Rico, Hispaniola, de Kleine Antillen en Trinidad en Tobago; rond de Bahama's, Cuba en Jamaica schaarser. Buiten het gebied broedt de soort aan de kusten van Antarctica en op subantarctische eilanden en verblijft ze buiten de broedtijd in alle oceanen, in de Atlantische Oceaan noordelijk tot de kusten van Noord-Amerika en West-Europa.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De beste kans bieden zeetochten en veerboten tussen de eilanden in de late lente en zomer, vooral waar lokvoer wordt gebruikt. Let op het trippelen over het water en de poten die voorbij de staart uitsteken; vanaf de kust is de soort zelden te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De wereldpopulatie wordt op vele miljoenen vogels geschat. Op zee zijn de vogels gevoelig voor olievervuiling en het inslikken van plastic.

Wetenschappelijke naam

Oceanites oceanicus | (Kuhl, 1820)

Kuhl beschreef de soort in 1820 als Procellaria oceanica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oceanites werd in 1840 ingevoerd door Keyserling & Blasius. Oceanites is Grieks, Ōkeanitēs: een Oceanide, een van de zeenimfen die als dochters van Okeanos en Tethys golden. oceanicus is Latijn voor 'van de oceaan', naar het leven op volle zee. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Georgië.