Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Westelijke roodpootlijster
Westelijke roodpootlijster | Turdus plumbeus
Western Red-legged Thrush | Zorzal patirrojo occidental
De westelijke roodpootlijster is de westelijke helft van de vroegere roodpootlijster en sinds 2025 een aparte soort, naast de oostelijke roodpootlijster van Hispaniola, Puerto Rico en Dominica. Op Cuba is ze een van de bekendste bosvogels, daar zorzal real genoemd. Ze huppelt vaak met opgeheven staart over bospaden en gazons.
Geluid
De zang is een trage reeks korte, gevarieerde frasen van één tot drie noten. Roepen zijn onder meer een laag wet-wet, een luid tsjoe-wiek en een snel, hoog geratel bij verstoring; de roepen klinken vaak al voor de dageraad.
Opname: FREDERIC Lionel — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
25–28 cm, een grote, langstaartige lijster. De bovendelen zijn leigrijs, de keel wit met zwarte lengtestrepen. Snavel, oogring en poten zijn oranjerood. De staart is donker met witte punten aan de buitenste veren. De onderdelen verschillen per ondersoort: op de Bahama's grijs met een witte buik, in West- en Midden-Cuba met meer wit op keel en wangen en een oranje onderbuik, in Oost-Cuba met een beigeoranje achterflank en onderstaart, en op de Kaaimaneilanden lichter, met minder oranje. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn doffer, met donkere borstvlekken.
Verwarringssoorten
De oostelijke roodpootlijster Turdus ardosiaceus komt niet in hetzelfde gebied voor en heeft een witte, niet oranjeachtige buik. De Amerikaanse roodborstlijster Turdus migratorius heeft een roodoranje borst, een gele snavel en donkere poten, en is op Cuba en de Bahama's een zeldzame wintergast. De Cubaanse solitaire Myadestes elisabeth is kleiner en olijfbruin, met een kort snaveltje.
Leefgebied
Bos van vrijwel alle typen, van droog laaglandbos, kustbos en kalksteenbos tot vochtig bergbos, op de Bahama's ook pijnbos en in kreupelhout op kalkbodem. Verder koffieplantages, tuinen en parken. Foerageert op de grond en in de onderste lagen. Eet vooral vruchten, aangevuld met insecten, slakken, kikkers en hagedissen. Het nest is een kom van gras en bladeren in een boom of palm.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Standvogel op de noordelijke Bahama's (onder meer Grand Bahama, Abaco, Andros, de Berry-eilanden en Eleuthera), Cuba met Isla de la Juventud en de grotere cayos, en Cayman Brac; op Grand Cayman verdwenen. Vroeger ook op de Swaneilanden voor Honduras, waar de soort niet meer voorkomt.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op Cuba vrijwel overal in bos en in parken te vinden, bijvoorbeeld op het schiereiland Zapata en in de Sierra del Rosario. Op de Bahama's in tuinen en bosranden op Andros en Abaco. Bij zonsopgang foerageren de vogels op open grond langs paden.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort is op Cuba algemeen en verdraagt secundair bos en tuinen. De kleine populatie van de Kaaimaneilanden is beperkt tot Cayman Brac en daardoor kwetsbaar voor orkanen en verlies van leefgebied.
Wetenschappelijke naam
Turdus plumbeus | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Turdus voerde hij in datzelfde werk in. Turdus is het gewone Latijnse woord voor 'lijster'. plumbeus is Latijn voor 'loodkleurig, loodgrijs', naar het grijze verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Andros en Eleuthera, Bahama's.






