Alle soorten › Kolibries en gierzwaluwen › Gierzwaluwen › Schoorsteengierzwaluw

Schoorsteengierzwaluw | Chaetura pelagica

Chimney Swift | Vencejo de chimenea

De schoorsteengierzwaluw broedt in het oosten van Noord-Amerika en overwintert in het westen van het Amazonebekken. Op weg daarheen en terug trekt een deel van de populatie over de westelijke Caribische eilanden, waar de soort in het voor- en najaar voor korte tijd verschijnt. Het is een kleine, donkere gierzwaluw die met snelle, stijve vleugelslagen en korte glijvluchten jaagt. In Noord-Amerika broedt en slaapt hij vooral in schoorstenen, vroeger in holle bomen.

Schoorsteengierzwaluw (Chaetura pelagica)
Foto: Adam Jackson — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een droog, snel getjirp, tsjip-tsjip-tsjip-tsjip, vaak versneld tot een kwetterende reeks; ook losse tsjip-roepen. Groepen trekkende vogels roepen veel.

Luister: VluchtroepXC1014807

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

12–15 cm, met een sigaarvormig lichaam, lange, smalle, licht gebogen vleugels en een korte, ronde staart met stekelige veerschachten. Het verenkleed is egaal donker grijsbruin, met een iets lichtere keel en borst en een stuit die nauwelijks lichter is dan de rug. De seksen zijn gelijk. In vlucht wisselen snelle, vlinderachtige slagen af met korte glijvluchten; de vleugels worden dan soms schijnbaar afwisselend bewogen.

Verwarrings­soorten

De martiniquegierzwaluw Chaetura martinica van de centrale Kleine Antillen is kleiner, met een lichtgrijze stuit die tegen de donkere rug afsteekt. De kortstaartgierzwaluw Chaetura brachyura en de grijsstuitgierzwaluw Chaetura cinereiventris uit het zuiden hebben eveneens een duidelijk lichtere stuit; de kortstaartgierzwaluw heeft bovendien een zeer korte staart. De Antilliaanse palmgierzwaluw Tachornis phoenicobia is veel kleiner, met wit op de stuit en de onderdelen. De zwarte gierzwaluw Cypseloides niger is groter en zwarter, met een langere, licht gevorkte staart en een tragere vlucht.

Leefgebied

Tijdens de trek in het luchtruim boven vrijwel elk landschap: steden en dorpen, open landbouwgebied, kustvlakten, meren en bosranden. Jaagt in de lucht op kleine vliegende insecten, vaak samen met zwaluwen. Overnacht in groepen in schoorstenen, holle bomen of andere verticale holtes.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Een vrij schaarse maar regelmatige doortrekker op de Bahama's, Cuba, de Kaaimaneilanden en San Andrés, waar de route tussen Noord-Amerika en Zuid-Amerika over het westen van het gebied loopt. Ook op Aruba geregeld waargenomen. Op Hispaniola, Puerto Rico, de Maagdeneilanden, de Turks- en Caicoseilanden, Jamaica, enkele eilanden van de Kleine Antillen (onder meer Barbados, Guadeloupe en Dominica), Curaçao, Bonaire en Trinidad en Tobago een zeldzame gast. Broedt in het oosten van de Verenigde Staten en het zuidoosten van Canada; overwintert vooral in Peru, Ecuador, het westen van Brazilië en het noorden van Chili.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De beste kans is in april en mei en van eind augustus tot oktober, op Cuba, de Kaaimaneilanden en de Bahama's, vooral na het passeren van een front. Losse gierzwaluwen tussen zwaluwen boven vijvers of open terrein zijn het controleren waard; de egaal donkere stuit en de korte staart onderscheiden de soort van de andere gierzwaluwen in het gebied.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar volgens de IUCN. De broedpopulatie is sinds de jaren zestig sterk afgenomen. Mogelijke oorzaken zijn de achteruitgang van vliegende insecten, het verdwijnen of afsluiten van geschikte schoorstenen om te broeden en te slapen, en stormen tijdens de trek. In het Caribisch gebied zijn er geen specifieke bedreigingen bekend.

Wetenschappelijke naam

Chaetura pelagica | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Hirundo Pelagica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chaetura werd in 1826 ingevoerd door Stephens. Chaetura is Grieks, van khaitē 'haar, borstel' en oura 'staart', naar de stekelige uitstekende schachten van de staartpennen. pelagica is Latijn voor 'van de open zee' (Grieks pelagikos); een vreemde naam voor een landvogel, mogelijk bedoeld voor zijn rondzwervende leefwijze. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit South Carolina, Verenigde Staten.