Alle soorten › Kolibries en gierzwaluwen › Gierzwaluwen › Martiniquegierzwaluw

Martiniquegierzwaluw | Chaetura martinica

Lesser Antillean Swift | Vencejo de Martinica

De Martiniquegierzwaluw is de enige gierzwaluw die endemisch is voor de Kleine Antillen. Hij leeft op de bergachtige, beboste vulkaaneilanden van Guadeloupe tot St. Vincent en is daar de gewoonste kleine gierzwaluw. Groepjes jagen laag boven het bos en langs bergruggen, vooral bij bewolkt en regenachtig weer.

Martiniquegierzwaluw (Chaetura martinica)
Foto: Don Faulkner — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoog, kwetterend trillertje, prrrrrrr of prrrrrr-titi, met tussenpozen herhaald.

Luister: VluchtroepXC971326

Opname: Étienne Leroy — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

10–11 cm, klein en donker, met een vooruitstekende kop, een korte, vierkante stekelstaart en vleugels die in het midden uitpuilen en aan het eind wat haken. Bovendelen zwartbruin, met een smalle grijze band over de stuit. Onderdelen bruin, de keel iets lichter. De seksen zijn gelijk; jonge vogels hebben witte topjes aan een deel van de vleugelveren.

Verwarrings­soorten

De zwarte gierzwaluw Cypseloides niger is veel groter, geheel zwart en heeft een langere staart. Op St. Vincent komt ook de kortstaartgierzwaluw Chaetura brachyura voor; die is iets groter en heeft een zeer korte staart en een lichte, grijsbruine stuit en onderstaart die duidelijker afsteken. De schoorsteengierzwaluw Chaetura pelagica, een zeldzame doortrekker, is groter, met een minder contrasterende stuit en een lichtere keel. Zwaluwen hebben bredere vleugels en een gevorkte staart.

Leefgebied

Vooral boven regenwoud en bergbos, maar ook boven secundair bos, plantages, open terrein en drogere kuststreken, van de kust tot de hoogste toppen. Jaagt op kleine vliegende insecten, vaak laag boven het bladerdak en langs beboste hellingen. Het nest is een halve kom die tegen een verticaal oppervlak wordt bevestigd, waarschijnlijk in holle bomen of rotsspleten; het broedseizoen valt in het late voorjaar en de vroege zomer.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Endemisch in de Kleine Antillen: Guadeloupe, Dominica, Martinique, St. Lucia en St. Vincent. Op Guadeloupe vrij schaars, op de andere eilanden vrij algemeen. Een niet gedocumenteerde melding van Nevis is onzeker.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op Dominica boven het regenwoud bij het Syndicate-natuurpad en langs de wegen door het Morne Trois Pitons-gebied, op St. Lucia in het binnenland bij Des Cartiers, op Martinique op de hellingen van de Mont Pelée. De grijze stuitband is te zien wanneer de vogels laag langs een helling of een bosweg jagen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De populatie lijkt stabiel, al is de omvang niet bekend. Orkanen en vulkaanuitbarstingen, zoals die van de Soufrière op St. Vincent in 2021, kunnen plaatselijk tijdelijk leefgebied aantasten.

Wetenschappelijke naam

Chaetura martinica | (Hermann, 1783)

Hermann beschreef de soort in 1783 als Hirundo martinica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chaetura werd in 1826 ingevoerd door Stephens. Chaetura is Grieks, van khaitē 'haar, borstel' en oura 'staart', naar de stekelige uitstekende schachten van de staartpennen. martinica verwijst naar Martinique in de Kleine Antillen, waar de soort werd beschreven. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Martinique.