Alle soorten › Kolibries en gierzwaluwen › Gierzwaluwen › Kortstaartgierzwaluw

Kortstaartgierzwaluw | Chaetura brachyura

Short-tailed Swift | Vencejo colicorto

De kortstaartgierzwaluw is een algemene gierzwaluw van het noorden van Zuid-Amerika die in het gebied de zuidelijkste eilanden bewoont. De vogels op Grenada, Saint Vincent en Tobago worden tot een eigen ondersoort gerekend, praevelox. Door de zeer korte staart en de brede binnenvleugel heeft de soort in vlucht een eigen silhouet, dat bij geen andere gierzwaluw in het gebied voorkomt.

Kortstaartgierzwaluw (Chaetura brachyura)
Foto: Francesco Veronesi from Italy — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een snelle, kwetterende reeks, sti-sti-stjoe-stjoe-stjoe, vooral te horen van groepen die laag rondvliegen.

Luister: VluchtroepXC944032

Opname: JAYRSON ARAUJO DE OLIVEIRA — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

10–11 cm, gedrongen, met een zeer korte staart die in vlucht nauwelijks voorbij de vleugelachterrand steekt. De vleugels zijn breed aan de armpennen en smal bij de basis, wat ze een peddelvormig profiel geeft. Het verenkleed is grotendeels zwartbruin, met een licht grijsbruine stuit en bovenstaartdekveren die zonder scherpe grens in de korte staart overgaan; ook de onderstaartdekveren zijn licht. De keel is iets lichter dan de rest van de onderdelen. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De grijsstuitgierzwaluw Chaetura cinereiventris heeft een langere staart, een glanzend blauwzwarte rug en een grijze stuit die scherp tegen de zwarte staart afsteekt. De witbandgierzwaluw Chaetura spinicaudus op Trinidad heeft een smalle, witachtige band over de stuit en een langere staart. De martiniquegierzwaluw Chaetura martinica, die op Saint Vincent naast de kortstaartgierzwaluw voorkomt, is kleiner en slanker, met een langere staart en een donkere onderstaart. De schoorsteengierzwaluw Chaetura pelagica is egaal donker, zonder lichte stuit.

Leefgebied

Jaagt boven open en halfopen terrein in het laagland: bosranden, open bos, savanne, weiland en kleinschalig landbouwgebied, rivierdalen en dorpen. Komt meestal voor onder ongeveer 800 m. Foerageert in groepen, vaak samen met andere gierzwaluwen en zwaluwen. Broedt in holle bomen, grotten, schachten en schoorstenen; het nest is een klein, ondiep schaaltje van takjes, met speeksel tegen een verticale wand geplakt.

Verspreiding en trek

Standvogel op Trinidad en Tobago, Grenada en Saint Vincent; op Trinidad een van de algemeenste gierzwaluwen. Er zijn daarnaast meldingen van Saint Lucia en Martinique, waar de status onduidelijk is en verwarring met de martiniquegierzwaluw mogelijk speelt; van Guadeloupe, Barbados en de Maagdeneilanden zijn enkele losse waarnemingen bekend. Buiten het gebied van Panama, Colombia, Venezuela en de Guyana's tot in Ecuador, Peru, Bolivia en het Amazonegebied van Brazilië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op Trinidad zijn groepen boven open land en bosranden in het laagland, bijvoorbeeld in de Northern Range en de Aripo-savanne, te verwachten; op Tobago en Grenada boven valleien en dorpen. In vlucht is het silhouet met de bijna ontbrekende staart en de brede vleugelachterrand het beste kenmerk.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en is in een groot deel daarvan algemeen. Ze gebruikt ook gebouwen en schoorstenen om te broeden en profiteert van open, door de mens gevormd landschap.

Wetenschappelijke naam

Chaetura brachyura | (Jardine, 1846)

Jardine beschreef de soort in 1846 als Acanthylis brachyura; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chaetura werd in 1826 ingevoerd door Stephens. Chaetura is Grieks, van khaitē 'haar, borstel' en oura 'staart', naar de stekelige uitstekende schachten van de staartpennen. brachyura is Grieks, van brakhus 'kort' en oura 'staart', naar de zeer korte staart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Tobago.