Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Nashvillezanger

Nashvillezanger | Leiothlypis ruficapilla

Nashville Warbler | Reinita de Nashville

De nashvillezanger is een kleine zanger met een grijze kop, een witte oogring en een gele keel, die broedt in open, jong bos in het zuiden van Canada, het noordoosten en het westen van de Verenigde Staten. Hij overwintert vooral in Mexico en het noorden van Midden-Amerika. In het Caribisch gebied is het een zeldzame gast, het meest op de noordelijke eilanden.

Nashvillezanger (Leiothlypis ruficapilla)
Foto: John Benson from Madison WI — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een scherp, metalig tsip of spik. De zang bestaat uit twee delen: een reeks heldere dubbeltonen gevolgd door een snellere, lagere triller, sie-bit sie-bit sie-bit, tititititi.

Luister: ZangXC1181076

Opname: Ray Cooke — CC BY-NC 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

11–13 cm, met een fijne, spitse snavel. Kop en hals blauwgrijs met een gesloten witte oogring; de rug en vleugels olijfgroen, zonder vleugelstrepen. Keel, borst en flanken helder geel, met een wittige vlek tussen de poten. Het mannetje heeft een roodbruine kruinvlek die meestal verborgen is. Vrouwtjes en jonge vogels zijn doffer, met een bruinig grijze kop, een minder scherpe oogring en een vaalgele keel. Beweegt actief en wipt vaak met de staart.

Verwarrings­soorten

De connecticutzanger Oporornis agilis is groter, met een grijze of bruingrijze kap die ook de keel bedekt, een gele buik en lange onderstaartdekveren; hij leeft laag en loopt over de grond. De grijskopzanger Geothlypis philadelphia heeft eveneens een grijze kap tot over de keel en heeft als volwassen mannetje geen oogring. Vrouwtjes van de gewone maskerzanger Geothlypis trichas hebben een olijfkleurige kop, een vage oogring en een lichtere buik.

Leefgebied

Bosranden, open droog en halfgroen loofbos, kustbos, struweel en tuinen. Zoekt laag tot halfhoog naar insecten aan de uiteinden van takken, vaak met gemengde groepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Zeldzame wintergast en doortrekker op de Bahama's, Cuba en de Kaaimaneilanden. Dwaalgast op Jamaica, Hispaniola, Puerto Rico en de Maagdeneilanden. Broedt in het zuiden van Canada, het noordoosten van de Verenigde Staten en in het westen van Noord-Amerika, en overwintert van het zuiden van Texas en Californië via Mexico tot Guatemala en El Salvador.

  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De beste kans is in de winter op de Bahama's en in het westen van Cuba, bij het doorzoeken van gemengde groepen in bosranden en tuinen. De combinatie van grijze kop, witte oogring en gele keel is kenmerkend; een gele keel sluit connecticutzanger en grijskopzanger uit.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De populatie is groot en vrij stabiel. Jonge bosopslag na kap of brand is in het broedgebied een belangrijk leefgebied.

Wetenschappelijke naam

Leiothlypis ruficapilla | (Wilson, 1811)

Wilson beschreef de soort in 1811 als Sylvia ruficapilla; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Leiothlypis werd in 2008 ingevoerd door Sangster. Leiothlypis is Grieks, van leios 'effen, glad' en thlypis, bij Aristoteles de naam van een onbekend klein vogeltje. ruficapilla is Latijn, van rufus 'rood' en capillus 'hoofdhaar', naar de roestbruine kruinvlek. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Nashville, Tennessee (VS).