Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Oranjekruinzanger
Oranjekruinzanger | Leiothlypis celata
Orange-crowned Warbler | Reinita coroninaranja
De oranjekruinzanger is een egaal grijsgroene zanger die broedt van Alaska en Canada tot in het westen van de Verenigde Staten. De meeste vogels overwinteren in het zuiden van de Verenigde Staten, Mexico en het noorden van Midden-Amerika. Het Caribisch gebied ligt buiten het gewone overwinteringsgebied; alleen op de noordelijke Bahama's en Cuba verschijnt de soort met enige regelmaat. De oranje kruinvlek waaraan hij zijn naam dankt, is in het veld zelden te zien.
Geluid
De roep is een kenmerkend hard, metalig tsjet, scherper dan die van de meeste andere zangers. De zang, in het gebied zelden te horen, is een losse triller die aan het eind zachter wordt en in toonhoogte verandert.
Opname: Ed Pandolfino — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
12–13 cm, met een fijne, spitse snavel. Bovendelen olijfgroen tot grijsgroen, onderdelen gelig olijf met vage, wazige strepen op de borst. Een donkere oogstreep, een smalle lichte wenkbrauwstreep en een onderbroken lichte oogring geven het gezicht een vage tekening. De onderstaartdekveren zijn geel. Vogels van de oostelijke ondersoort celata, die in het gebied het meest te verwachten zijn, zijn grijzer en doffer, vaak met een grijzige kop. De oranje kruinvlek is meestal verborgen en ontbreekt bij veel jonge vogels.
Verwarringssoorten
De tennesseezanger Leiothlypis peregrina heeft witte onderstaartdekveren, een kortere staart, een duidelijker wenkbrauwstreep en een ongestreepte borst. Vrouwtjes van de gewone maskerzanger Geothlypis trichas hebben een gele keel die scherp afsteekt tegen een lichtere buik en houden zich laag in dichte begroeiing op. Vrouwtjes van de gele zanger Setophaga aestiva zijn geler, met een rond, donker oog in een kaal gelaat en gele staartvlekken.
Leefgebied
Struweel, kustbos, droog loofbos, tuinen en ruigten, vaak in dichte, lage begroeiing. Zoekt laag tot halfhoog naar insecten, ook in dode bladbundels, en eet in de winter bessen en nectar.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Zeldzame wintergast op de Bahama's, vooral op de noordelijke eilanden (Grand Bahama, Abaco, New Providence), en op Cuba. Dwaalgast op Jamaica en de Kaaimaneilanden. Broedt in Alaska, Canada en het westen van de Verenigde Staten, en overwintert in het zuiden van de Verenigde Staten, Mexico en Guatemala.
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De kans is het grootst in de winter op de noordelijke Bahama's, in tuinen en struweel met andere overwinterende zangers. De harde tsjet-roep en de gele onderstaartdekveren onder een verder egaal grijsgroene vogel zijn de belangrijkste aanwijzingen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Een algemene en wijdverbreide soort met een zeer groot broedgebied.
Wetenschappelijke naam
Leiothlypis celata | (Say, 1822)
Say beschreef de soort in 1822 als Sylvia celatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Leiothlypis werd in 2008 ingevoerd door Sangster. Leiothlypis is Grieks, van leios 'effen, glad' en thlypis, bij Aristoteles de naam van een onbekend klein vogeltje. celata is Latijn voor 'verborgen', naar de oranje kruinvlek die meestal onder de groene veren schuilgaat. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Omaha, Nebraska (VS).




