Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Kleine feetiran
Kleine feetiran | Empidonax minimus
Least Flycatcher | Mosquero mínimo
De kleine feetiran is de kleinste en meest grijze van de Empidonax-tirannen uit het oosten van Noord-Amerika. Hij broedt in loof- en gemengd bos van Canada en het noorden van de Verenigde Staten en overwintert vooral van Mexico tot Panama. Het Caribisch gebied ligt buiten de gewone trekroute; vooral op de Kaaimaneilanden en Cuba wordt de soort af en toe in de trektijd en de winter gezien.
Geluid
De roep is een kort, droog wit. De zang, het bekende tsje-bek met de nadruk op de tweede lettergreep, wordt buiten het broedgebied weinig gehoord, soms wel in het voorjaar.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
12–14 cm, klein en compact, met een relatief grote, ronde kop en een korte snavel. De bovendelen zijn grijsachtig olijf, de kop vaak iets grijzer dan de rug. Een volledige witte oogring geeft de vogel een ‘brillerig’ uiterlijk. De onderdelen zijn grijswit, met een grijze waas over de borst en soms een vage gele tint op de buik. De vleugels zijn donker met twee duidelijke witachtige vleugelstrepen en lichte randen aan de tertials; de handpenprojectie is kort. De bovensnavel is donker, de ondersnavel grotendeels geelachtig. De vogel trekt vaak met staart en vleugels.
Verwarringssoorten
De wilgenfeetiran Empidonax traillii is groter en bruiner, met een vage of ontbrekende oogring en een langere, bredere snavel. De berkenfeetiran Empidonax flaviventris is groener, met gele keel en buik. De beukenfeetiran Empidonax virescens is groter, groener van boven, met een lange handpenprojectie en een lange, brede snavel. Piewies (Contopus) zijn groter, hebben langere vleugels, geen duidelijke oogring en wippen niet met de staart. Buiten het broedgebied zijn veel Empidonax-vogels alleen op roep of met foto's goed te determineren.
Leefgebied
In het gebied struweel en bosranden, droog en vochtig loofbos, kustbos en begroeide tuinen. Jaagt vanaf een lage tot middelhoge zitplaats in de onderste lagen van het bos op vliegende insecten en pikt ook insecten van bladeren. In het broedgebied open loof- en gemengd bos, boomgaarden en parken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Zeldzame doortrekker en wintergast op de Kaaimaneilanden, met de meeste waarnemingen op Grand Cayman, en zeldzaam op Cuba en de Bahama's. Van de andere eilanden zijn geen gedocumenteerde waarnemingen bekend. Broedt van het zuiden van Canada en het noordoosten van de Verenigde Staten tot de Appalachen en overwintert van Mexico tot Panama, in klein aantal ook in Zuid-Florida.
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De beste kans is op Grand Cayman en in het westen van Cuba in de herfst en de winter. Een kleine, grijzige Empidonax met een witte oogring die een droog wit laat horen, is eerder deze soort dan een van de groenere of grotere verwanten.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort is in het broedgebied algemeen, maar is in delen daarvan de laatste decennia achteruitgegaan.
Wetenschappelijke naam
Empidonax minimus | (Baird & Baird, 1843)
Baird & Baird beschreef de soort in 1843 als Tyrannula minima; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Empidonax werd in 1855 ingevoerd door Cabanis. Empidonax is Grieks, van empis 'mug' en anax 'heerser': 'muggenkoning', naar de insectenjacht. minimus is Latijn voor 'kleinste', naar het geringe formaat. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Carlisle, Pennsylvania (VS).




