Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Berkenfeetiran

Berkenfeetiran | Empidonax flaviventris

Yellow-bellied Flycatcher | Mosquero ventriamarillo

De berkenfeetiran is de geelste Empidonax van het oosten van Noord-Amerika. Hij broedt in vochtige noordelijke bossen, vooral veenmosrijke sparrenmoerassen, en trekt over land via Mexico naar zijn wintergebied in het zuiden van Mexico en Midden-Amerika. In het Caribisch gebied is hij een zeer zeldzame doortrekker in het westen.

Berkenfeetiran (Empidonax flaviventris)
Foto: Andy Reago & Chrissy McClarren — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een stijgend, gefloten tsjoe-wie of pwie, ook tijdens de trek. De zang is een ruw, dalend tse-berk.

Luister: VluchtroepXC1014722

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

13–15 cm, met een ronde kop en een relatief korte staart. De bovendelen zijn groenig olijf. De oogring is geelachtig en duidelijk. De vleugels zijn donker, met twee scherp afgetekende witte tot geelwitte vleugelstrepen. Keel en onderdelen zijn geel, met een olijfgroene zweem over de borst. De ondersnavel is licht. In het najaar zijn de vogels het felst geel; versleten vogels in het voorjaar zijn doffer.

Verwarrings­soorten

De beukenfeetiran Empidonax virescens kan in het najaar ook gelig zijn, maar heeft een witachtige keel, langere vleugels en een grotere snavel. De kleine feetiran Empidonax minimus is grijzer met een witte keel en een witte oogring. De wilgenfeetiran Empidonax traillii is bruiner, met een witte keel en een zwakke oogring.

Leefgebied

Tijdens de trek de schaduwrijke onderste laag van bos: vochtig en droog loofbos, kalksteenbos en kustbos. Foerageert laag vanaf een beschutte zitplaats. In het broedgebied ligt het nest in veenmos op of vlak boven de grond.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Een zeer zeldzame doortrekker op Cuba en de Kaaimaneilanden, vooral in het najaar. Van andere eilanden zijn geen zekere gegevens bekend. Broedt in Canada en het noordoosten van de Verenigde Staten en overwintert van het zuiden van Mexico tot Panama.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Een feetiran met een gele keel in het schaduwrijke struikgewas van het westen van Cuba of op de Kaaimaneilanden in september of oktober verdient een zorgvuldige blik. De gele keel en de stijgende tsjoe-wie-roep onderscheiden de soort van de andere feetirannen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort heeft een groot broedgebied in de boreale bossen.

Wetenschappelijke naam

Empidonax flaviventris | (Baird & Baird, 1843)

Baird & Baird beschreef de soort in 1843 als Tyrannula flaviventris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Empidonax werd in 1855 ingevoerd door Cabanis. Empidonax is Grieks, van empis 'mug' en anax 'heerser': 'muggenkoning', naar de insectenjacht. flaviventris is Latijn, van flavus 'geel' en venter 'buik', naar de gelige onderdelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Carlisle, Pennsylvania (VS).