Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Kleine-Antillenorganist
Kleine-Antillenorganist | Chlorophonia flavifrons
Lesser Antillean Euphonia | Eufonia de las Antillas Menores
De Kleine-Antillenorganist is een kleine, gedrongen vink die vrijwel alleen van maretakbessen leeft. Hij werd lang als ondersoort van de antillenorganist gezien; sinds 2016 wordt die in drie soorten gesplitst: de vormen van Hispaniola, Puerto Rico en de Kleine Antillen. Anders dan bij die twee verwanten lijken mannetje en vrouwtje hier op elkaar. Tegenwoordig staat de soort, net als de andere organisten van de Antillen, in het geslacht Chlorophonia.
Geluid
Een klagend fluitje en zachte tuk-tuk-tonen in wisselende patronen. De zang is een tinkelende, trillende reeks met scherpe fluittonen ertussen, soms in lange, doorlopende stukken tot twintig minuten.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.
Herkenning
10–12 cm, rond, met een korte staart en een korte, dikke snavel. Beide seksen hebben een geel voorhoofd, door een smal zwart bandje gescheiden van de hemelsblauwe kruin en nek; het blauw loopt door tot onder de oorstreek. De rest van de kop is donker. Bovendelen en staart zijn donker olijfgroen, met een gele waas op de onderrug en stuit, en de onderdelen olijfgeel, op de borst donkerder. Het mannetje heeft mogelijk iets zwartere oordekveren. Het jeugdkleed is niet goed beschreven.
Verwarringssoorten
Op de Kleine Antillen leeft geen andere organist. Het suikerdiefje Coereba flaveola heeft een witte wenkbrauwstreep en een dunne, gebogen snavel. Het vrouwtje van het Antillendikbekje Loxigilla noctis is olijfbruin zonder blauw en heeft een zwaardere snavel en een oranjebruine onderstaart. De Grenadatangare Stilpnia cucullata van St. Vincent en Grenada is groter en goudbruin met blauwgroene vleugels. De Antillensaltator Saltator albicollis is veel groter en grijsgroen met een witte keel.
Leefgebied
Vochtig groenblijvend bos, bergregenwoud en nevelwoud, ook halfgroen en droog loofbos en struikgewas, vooral waar veel maretak groeit. Eet bijna uitsluitend maretakbessen, daarnaast wat andere vruchten. Foerageert meestal in paren hoog in de kroon en sluit zich soms aan bij gemengde groepen. Mogelijk worden er bewegingen tussen hoogtezones en tussen eilanden gemaakt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Endemisch op de Kleine Antillen: Barbuda, Antigua, Guadeloupe (met La Désirade), Dominica, Martinique, St. Lucia, St. Vincent en Grenada. Op Saba is de soort uitgestorven. Op andere eilanden geldt hij als dwaalgast; de enkele waarnemingen van Montserrat en Saint-Barthélemy in de kaartdatabase horen daarbij. Op Barbuda en Antigua is hij schaars. De verwante antillenorganist Chlorophonia musica leeft op Hispaniola en de Puerto Ricaanse organist Chlorophonia sclateri op Puerto Rico.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De meeste waarnemingen komen van St. Lucia, Dominica, Martinique en Guadeloupe, in vochtig bos in het binnenland. De vogel zit hoog in de kroon en valt vooral op door het klagende fluitje en de tinkelende zang; bij een maretak met rijpe bessen keren paren steeds terug.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Het verspreidingsgebied is klein, de soort is overal tamelijk schaars en de aantallen nemen vermoedelijk af, maar directe bedreigingen zijn niet bekend. Hij komt in enkele nationale parken en andere beschermde gebieden voor.
Wetenschappelijke naam
Chlorophonia flavifrons | (Sparrman, 1789) (GBIF: Euphonia musica)
Sparrman beschreef de soort in 1789 als Emberiza flavifrons; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chlorophonia werd in 1851 ingevoerd door Bonaparte. Chlorophonia combineert het Griekse khlōros 'groen' met de geslachtsnaam Euphonia, naar het groene verenkleed. flavifrons is Latijn, van flavus 'geel' en frons 'voorhoofd', naar het gele voorhoofd van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Saint-Barthélemy.




