Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Kastanjezanger

Kastanjezanger | Setophaga castanea

Bay-breasted Warbler | Reinita castaña

De kastanjezanger is een vrij grote, trage zanger van de sparrenbossen van Canada, die overwintert in het zuiden van Midden-Amerika en het noordwesten van Zuid-Amerika. De meeste vogels trekken over of langs de Golf van Mexico, zodat het Caribisch gebied buiten de hoofdroute ligt en de soort hier vooral in het westen in kleine aantallen doortrekt.

Kastanjezanger (Setophaga castanea)
Foto: Rhododendrites — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een zacht tsjip, de vluchtroep een dun sie. De zang is een zeer hoge, dunne reeks gelijke noten, tiesie-tiesie-tiesie, en wordt op de eilanden zelden gehoord.

Luister: ZangXC1082106

Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–15 cm, vrij fors en kortstaartig, met twee witte vleugelstrepen. Het mannetje in broedkleed heeft een kastanjebruine kruin, keel en flanken, een zwart masker en een lichtgele vlek in de halszijde. Het vrouwtje is valer, met een vleugje kastanjebruin op kruin en flanken. In de herfst zijn de vogels olijfgroen van boven met vage streepjes op de rug en lichtgeelbruin van onder, met vrijwel ongestreepte flanken die bij veel vogels nog een roestkleurige zweem tonen. De onderstaartdekveren zijn geelbruin en de poten donker.

Verwarrings­soorten

In de herfst vooral te verwarren met de zwartkopzanger Setophaga striata, die wazig gestreepte flanken, witte onderstaartdekveren en lichte poten met gele voetzolen heeft. De dennenzanger Setophaga pinus heeft een ongestreepte rug, een geelgroene kop met lichte oogring en lichtere vleugelstrepen. De roestflankzanger Setophaga pensylvanica heeft in broedkleed een gele kruin en witte wangen, in de herfst een felgroene rug en grijswitte onderdelen.

Leefgebied

Tijdens de trek in vochtig en droog loofbos, kustbos en bosranden, ook in parken en tuinen met grote bomen. Foerageert in de middelste en hogere laag, vaak traag en lang op één tak, op insecten en rupsen; buiten de broedtijd eet de soort ook vruchten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Zeldzame doortrekker in het westen van het gebied: Cuba, de Kaaimaneilanden, Jamaica en de Bahama's. Op Hispaniola, Puerto Rico, de Maagdeneilanden, de Kleine Antillen, de ABC-eilanden, San Andrés en Trinidad en Tobago zeer zeldzaam of dwaalgast. Broedt in de boreale naaldbossen van Canada en het uiterste noordoosten van de Verenigde Staten en overwintert van Costa Rica en Panama tot in het noorden van Colombia en Venezuela.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De kans is het grootst in oktober en begin mei in kustbos en tuinen op West-Cuba en de Kaaimaneilanden, met name in groepen andere trekkende zangers. Herfstvogels vragen een goede blik op de onderstaart en de poten om ze van de zwartkopzanger te onderscheiden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De aantallen schommelen sterk met de plagen van de sparrenknopworm in het broedgebied: tijdens een plaag nemen ze toe, daarna weer af. Op de lange termijn is de populatie afgenomen.

Wetenschappelijke naam

Setophaga castanea | (Wilson, 1810)

Wilson beschreef de soort in 1810 als Sylvia castanea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Setophaga is Grieks, van sēs, sētos 'mot' en -phagos 'etend': 'motteneter'. castanea is Latijn voor 'kastanjebruin', naar de kastanjebruine kruin, keel en flanken van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Pennsylvania, Verenigde Staten.