Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Zwartkopzanger

Zwartkopzanger | Setophaga striata

Blackpoll Warbler | Reinita estriada

De zwartkopzanger is de langeafstandsvlieger onder de Amerikaanse zangers. Vanuit de naaldbossen van Canada en Alaska trekken veel vogels in de herfst vanaf de kust van het noordoosten van Noord-Amerika in één ruk over de Atlantische Oceaan naar de Antillen of het noorden van Zuid-Amerika, een tocht van ongeveer 3000 km en tot drie dagen non-stop vliegen. Het Caribisch gebied is voor deze soort daarom vooral een tussenstation, geen overwinteringsgebied.

Zwartkopzanger (Setophaga striata)
Foto: Rhododendrites — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een vol, kort tsjip; de vluchtroep een hoog, dun tsiet. De zang, in het voorjaar soms op de eilanden te horen, is een reeks zeer hoge, gelijke tsi-tsi-tsi-tsi-noten die in het midden in sterkte aanzwelt.

Luister: ZangXC1014785

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

12,5–15 cm, vrij lang gevleugeld en kortstaartig. Het mannetje in broedkleed heeft een egaal zwarte kruin, witte wangen, een zwarte baardstreep en zwart gestreepte, grijze bovendelen en witte onderdelen met zwarte flankstrepen. Het vrouwtje is grijsgroen met fijne strepen. In de herfst zijn alle vogels olijfgroen van boven met vage streepjes op de rug, geelgroen tot witachtig van onder met wazige flankstrepen, een donkere oogstreep, twee witte vleugelstrepen en witte onderstaartdekveren. De poten zijn geelachtig, de voetzolen helder geel; dat kenmerk is in alle kleden bruikbaar.

Verwarrings­soorten

De bonte zanger Mniotilta varia lijkt op het mannetje in broedkleed, maar heeft een gestreepte kruin en klautert over schors. In de herfst lijkt de kastanjezanger Setophaga castanea het meest: die heeft ongestreepte, warmer getinte flanken, geelbruine onderstaartdekveren en donkere poten. De dennenzanger Setophaga pinus heeft een ongestreepte rug, een grotere snavel en donkere poten. De gele zwartkeelzanger Setophaga virens heeft een geel gezicht met een donkere wangomlijning.

Leefgebied

Tijdens de trek in vrijwel elk geboomte: vochtig en droog bos, kustbos en mangrove, kuststruweel, parken en tuinen. Foerageert vrij hoog in het bladerdak op insecten en spinnen, vaak traag en methodisch, en eet tijdens de trek ook bessen. Na de oversteek komen vogels soms uitgeput op kleine eilanden en kustplaatsen aan.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Doortrekker door vrijwel het hele gebied. In de herfst algemeen op Puerto Rico, de Maagdeneilanden, Hispaniola en de Kleine Antillen, en regelmatig op de ABC-eilanden en Trinidad en Tobago; op de Bahama's, Cuba, Jamaica en de Kaaimaneilanden is de soort dan schaarser. In het voorjaar trekken de vogels westelijker terug, via Hispaniola, Cuba, de Bahama's en de Turks- en Caicoseilanden naar Florida. Broedt van Alaska door Canada tot in het noordoosten van de Verenigde Staten en overwintert in het noorden van Zuid-Amerika, vooral in het Amazonebekken.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het beste op zoek na het passeren van een koufront of na oostenwind in oktober, in kustbos en tuinen op Puerto Rico en de Kleine Antillen. Herfstvogels zijn te herkennen aan de combinatie van wazige flankstrepen, witte onderstaart en gele voetzolen.

Staat van instandhouding

Gevoelig (IUCN). De soort is nog talrijk, maar de Noord-Amerikaanse tellingen tonen een sterke, langdurige afname. Omdat de vogels voor de oversteek afhankelijk zijn van een paar pleisterplaatsen aan de kust en daarna van eerste landingsplaatsen op de eilanden, is het behoud van kustbos op de Antillen voor deze soort van belang.

Wetenschappelijke naam

Setophaga striata | (Forster, 1772)

Forster beschreef de soort in 1772 als Muscicapa striata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Setophaga is Grieks, van sēs, sētos 'mot' en -phagos 'etend': 'motteneter'. striata is Latijn voor 'gestreept', naar het streepjespatroon van het verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Fort Severn aan de Hudsonbaai.