Alle soorten › Zangvogels › Vireo's › Jamaicaanse vireo

Jamaicaanse vireo | Vireo modestus

Jamaican Vireo | Vireo jamaicano

De Jamaicaanse vireo is een kleine, groengrijze vireo die alleen op Jamaica voorkomt en daar algemeen en wijdverbreid is. Op het eiland heet hij naar zijn zang sewi-sewi. Hij is een van de twee endemische vireo's van Jamaica, naast de grotere en minder algemene Osburns vireo van het bergbos.

Jamaicaanse vireo (Vireo modestus)
Foto: Yve Morrell — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

De zang is snel, hoog en zeer variabel: een motief wordt enkele minuten herhaald en dan door een ander vervangen. Bekend zijn een snel sewi-sewi, waaraan de lokale naam ontleend is, en frasen als twie-wiet-woe of pie-joe, van een langzame reeks tot een snelle triller. Daarnaast scheldende geluiden.

Luister: ZangXC783867

Opname: Peter de Rouw — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 12,5 cm. De kop en bovendelen zijn grijsachtig groen tot grijsolijf, de stuit iets helderder. Teugel, kin en keel zijn gelig tot witachtig, de borst geelgrijs, de buik helderder geel en de flanken lichtolijf. De vleugel heeft twee duidelijke, witachtige vleugelstrepen en lichte randen aan de slagpennen. Volwassen vogels hebben een lichte, blauwgrijze tot witte iris; jonge vogels hebben een donkere iris, een grijzere kop, bruiner olijfkleurige bovendelen en meer okergetinte onderdelen. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

Osburns vireo Vireo osburni is groter en egaal donker grijsolijf, met een zware snavel, een donkere iris en geen vleugelstrepen; hij leeft vooral in het bergbos. De baardvireo Vireo altiloquus, in de zomer algemeen, is groter, zonder vleugelstrepen, met een rode iris, een witte wenkbrauwstreep en een donkere baardstreep. De witoogvireo Vireo griseus, een zeldzame wintergast, heeft een gele bril, een witte keel en buik en gele flanken.

Leefgebied

Vochtig en droog loofbos, droog laaglandbos en struikgewas in de droge laagvlakten, kalksteenbos op karst, bosranden, secundair bos en groenblijvend bergbos, van zeeniveau tot hoog in de bergen. In mangrove en moerassen meestal afwezig. Zoekt in de onderste en middelste laag naar insecten. Het nest is een hangend kommetje van varenblaadjes, mos en vezels, gecamoufleerd met korstmos; de broedtijd valt van april tot juni.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Alleen op Jamaica, over het hele eiland waar bos of struweel staat. Buiten Jamaica komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In vrijwel elk bos- en struweelgebied op Jamaica, zowel in het droge laagland, zoals de Hellshire Hills, als in het vochtiger binnenland, zoals de Cockpit Country. De herhaalde, steeds wisselende zang is het beste aanknopingspunt. De vleugelstrepen en bij volwassen vogels de lichte iris onderscheiden de soort van de andere vireo's van het eiland.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is algemeen en komt ook in secundair bos en struweel voor.

Wetenschappelijke naam

Vireo modestus | Sclater, 1861

Sclater beschreef de soort in 1861 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Vireo werd in 1808 ingevoerd door Vieillot. Vireo werd door Latijnse schrijvers gebruikt voor een kleine, groene trekvogel, waarschijnlijk de wielewaal; ook de groenling is voorgesteld. modestus is Latijn voor 'bescheiden, ingetogen', naar het eenvoudige, onopvallende verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Jamaica.