Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Izabeltortel

Izabeltortel | Streptopelia roseogrisea

African Collared Dove | Tórtola rosigrís

De izabeltortel is een kleine, lichte tortel met een zwarte halsband, de wilde stamvorm van de lachduif, de tamme duif die al eeuwenlang in kooien en volières wordt gehouden. Hij is niet inheems in het Caribisch gebied. Op Puerto Rico leeft een verwilderde populatie in de droge kustvlakte van het zuiden en zuidwesten; in het Puerto Ricaans Spaans heet hij paloma collarina africana. Van vogels in het veld is vaak niet uit te maken of het om de wilde vorm, de tamme lachduif of kruisingen gaat.

Izabeltortel (Streptopelia roseogrisea)
Foto: karimhaddad — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, rollend koeren in twee delen, een korte toon gevolgd door een lange, trillende: koe-krrrroeoe. Daarnaast een zacht, kakelend lachje, waaraan de lachduif zijn naam ontleent. De Turkse tortel roept met drie duidelijk gescheiden lettergrepen.

Luister: VluchtroepXC1163975

Opname: Zsombor Károlyi — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

25–28 cm, kleiner en tengerder dan de Turkse tortel. Het verenkleed is licht grijsbruin met een roomkleurige tint, kop en hals licht roze, de buik en onderstaartdekveren wit. In de nek een smalle zwarte halsband, aan de bovenkant wit omzoomd. De handpennen zijn grijsbruin en contrasteren maar weinig met de rest van de vleugel. De staart is van onderen aan de basis zwart en verder wit. De iris is rood, de poten roze tot rood. De seksen zijn gelijk. Tamme lachduiven zijn vaak nog lichter, tot geheel crème of wit, en kunnen lichter van poot en snavel zijn.

Verwarrings­soorten

De Turkse tortel Streptopelia decaocto is groter, donkerder en grijzer, met grijze onderstaartdekveren, duidelijk donkere handpennen en een driedelige roep. In het veld is het onderscheid vaak alleen op de roep en de kleur van de onderstaartdekveren te maken. De Antilliaanse treurduif Zenaida aurita en de musduif Columbina passerina missen de halsband.

Leefgebied

Dorpen en steden, tuinen en erven in droog laagland, en aangrenzend droog struweel en droog bos. Op Puerto Rico vrijwel beperkt tot de subtropische droge en vochtige zone van de zuidelijke en zuidwestelijke kustvlakte, meestal dicht bij huizen. Eet zaden en graan op de grond. Broedt volgens de Puerto Ricaanse broedvogelatlas van januari tot juli, met een piek in mei; het nest is een los takkenplatform in een boom of struik.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Op Puerto Rico verwilderd in het zuiden en zuidwesten, onder meer in de gemeente Cabo Rojo. Van Barbados, Cuba, de Dominicaanse Republiek en Grenada zijn eveneens herhaaldelijk vogels gemeld, en ook van verscheidene andere eilanden losse waarnemingen; vaak gaat het daar om ontsnapte lachduiven, en of zich buiten Puerto Rico gevestigde populaties hebben gevormd, is niet duidelijk. Van nature in de Sahel, in het noorden van de Hoorn van Afrika en in het zuidwesten van het Arabisch Schiereiland.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op Puerto Rico in dorpen en woonwijken in het zuidwesten, waar hij tussen Turkse tortels voorkomt. De roep is het beste kenmerk om beide te scheiden; ook de witte onderstaart is bij vogels die op een draad zitten te zien.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het Caribisch gebied een exoot. Over aantallen en ontwikkeling op Puerto Rico is weinig bekend, en door de verwarring met de Turkse tortel en met tamme lachduiven is de verspreiding in het gebied onvolledig beschreven.

Wetenschappelijke naam

Streptopelia roseogrisea | (Sundevall, 1857)

Sundevall beschreef de soort in 1857 als Columbam roseogriseam; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Streptopelia werd in 1855 ingevoerd door Bonaparte. Streptopelia is Grieks, van streptos 'halsband, gedraaide ketting' en peleia 'duif', naar de donkere halsband van deze tortels. roseogrisea is Latijn, van roseus 'rozerood' en griseus 'grijs', naar het rozegrijze verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Nubië.