Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Jamaicaanse suikervogel

Jamaicaanse suikervogel | Euneornis campestris

Orangequit | Semillero azulillo

De Jamaicaanse suikervogel is een endemische zangvogel van Jamaica en de enige soort van het geslacht Euneornis. Hij hoort bij dezelfde groep binnen de tangarafamilie als het suikerdiefje en de Antilliaanse dikbekjes. Hij leeft vooral van nectar en is in het bosgebied van het eiland plaatselijk algemeen.

Jamaicaanse suikervogel (Euneornis campestris)
Foto: Mike's Birds from Riverside, CA, US — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een dun, hoog tsiet of swie, dat ook in de vlucht klinkt. De zang is zwak.

Luister: ZangXC426058

Opname: Nick Komar — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

14 cm, met een korte, iets gebogen, spitse zwarte snavel. Het mannetje is egaal grijsblauw met een oranjerode keel; bij slecht licht lijkt het geheel donker. Het vrouwtje heeft een olijfgrijze kruin en nek en is verder grijsachtig wit op kop en onderdelen, met een grijsolijve rug. Jonge vogels lijken op het vrouwtje.

Verwarrings­soorten

Het mannetje van de Jamaicaanse organist Euphonia jamaica is ook grijsblauw, maar kleiner en gedrongener, met een stompe snavel en een gele buik, zonder oranje keel. Het suikerdiefje Coereba flaveola heeft een witte wenkbrauwstreep en een gele borst. Vrouwtjes kunnen lijken op een vrouwtje van de Jamaicaanse spindalis Spindalis nigricephala, maar dat is groter, heeft een dikke snavel en een oranjegele zweem op de borst.

Leefgebied

Vochtig en halfgroen bos, bergbos, het karstbos van Cockpit Country, bosranden, open bos en koffieplantages onder schaduwbomen, van het laagland tot ongeveer 1500 m. Het eet vooral nectar, aangevuld met vruchten, zaden en ongewervelden, en drinkt ook sap uit de gaatjes die de geelbuiksapspecht Sphyrapicus varius in de schors boort. Foerageert alleen of in paren, vooral in de onderste en middelste laag van het bos. Broedt van april tot juni in een open kom van gras en plantenvezels, meestal tot ongeveer 6 m hoog; het legsel telt twee tot vier eieren en alleen het vrouwtje broedt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Alleen op Jamaica, over het hele eiland waar bos staat, het talrijkst in het heuvel- en bergland. Buiten Jamaica komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de Blue Mountains, bijvoorbeeld langs de weg bij Hardwar Gap, en in Cockpit Country. Bloeiende bomen en struiken aan bosranden zijn de beste plek; in de winter loont het om bomen met sapspechtgaatjes in de gaten te houden. Het mannetje valt pas op als de oranje keel in het licht komt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is plaatselijk algemeen en de populatie lijkt stabiel. Verlies van bos is de belangrijkste mogelijke bedreiging, maar het verlies aan boombedekking op Jamaica is momenteel gering.

Wetenschappelijke naam

Euneornis campestris | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Motacilla campestris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Euneornis werd in 1856 ingevoerd door Fitzinger. Euneornis combineert het Griekse eu 'goed' met Neornis, een door Edward Blyth (1845) ingevoerd geslacht dat nu onder Cettia valt. campestris is Latijn voor 'van de velden'; een weinig passende naam voor deze vogel van Jamaicaanse bossen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Jamaica.