Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Dwergplevier
Dwergplevier | Charadrius melodus
Piping Plover | Chorlito melódico
De dwergplevier is een bleke, zandkleurige plevier van de Noord-Amerikaanse stranden en meeroevers, die vooral in de noordelijke Caraïben overwintert. Op de Bahama's werd pas in 2006 duidelijk hoeveel vogels daar de winter doorbrengen; tegenwoordig geldt het eilandenrijk als een van de belangrijkste overwinteringsgebieden van de soort. Op Cuba heet hij frailecillo silbador.
Geluid
Een zacht, helder gefloten pie-po of enkel pieep, waaraan de Engelse en Spaanse naam ontleend zijn. In de winter roept de soort weinig; vaak is de roep alleen te horen van opvliegende vogels.
Opname: Will Sweet — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
17–18 cm. Een kleine, gedrongen plevier met een rond kopje en een kort, stomp snaveltje. De bovendelen zijn bleek zandgrijs, de onderdelen wit. In broedkleed, dat in het voorjaar al zichtbaar kan zijn, een smalle zwarte band over het voorhoofd, een smalle zwarte borstband die in het midden onderbroken kan zijn, en een oranje snavel met zwarte punt. In winterkleed ontbreekt het zwart; de borstband is dan een vage grijze vlek opzij van de borst en de snavel donker. De poten zijn het hele jaar oranjegeel. In de vlucht een duidelijke witte vleugelstreep en een witte stuit met donkere staartpunt.
Verwarringssoorten
De sneeuwplevier Anarhynchus nivosus is even bleek maar slanker, met een dunne zwarte snavel, donkere poten en een donkere vlek opzij van de borst. De Amerikaanse bontbekplevier Charadrius semipalmatus is veel donkerder bruin van boven, met een donker masker. De drieteenstrandloper Calidris alba loopt op dezelfde stranden maar heeft een langere zwarte snavel, zwarte poten en het gedrag van een strandloper.
Leefgebied
Brede zandstranden, zand- en slikvlakten die bij laag water droogvallen, de randen van ondiepe baaien met zeegras, en zand- en koraalcays. Foerageert op open zand en slik op wormen, kleine kreeftachtigen en insecten, in het typische plevierenritme van rennen, stilstaan en pikken. Rust bij hoog water op hogere zandruggen, wieranspoelsel of op kale cays, vaak samen met andere kleine steltlopers.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Overwintert vooral op de Bahama's, met de grootste aantallen rond Andros, de Joulter Cays en de Berry Islands, en verder op de Turks- en Caicoseilanden en langs de cays van de Cubaanse noordkust; in kleinere aantallen op Hispaniola. Elders schaars tot zeldzaam: Puerto Rico, de Maagdeneilanden, Sint-Maarten en Guadeloupe, en zeer zelden verder zuidelijk. Buiten het gebied broedt de soort langs de Atlantische kust van Canada en de Verenigde Staten, rond de Grote Meren en op de Great Plains, en overwintert ze verder langs de kusten van de zuidoostelijke Verenigde Staten, de Golf van Mexico en Noordoost-Mexico.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op de Bahama's het best bij laag water op de uitgestrekte zandvlakten van de Joulter Cays en Andros, bereikbaar per boot. Op drukke stranden zijn de vogels gevoelig voor verstoring; op afstand blijven en honden aangelijnd houden geeft ze rust. Gekleurde pootringen worden veel afgelezen en gemeld aan de onderzoeksprogramma's in de broedgebieden.
Staat van instandhouding
Gevoelig (Near Threatened). De wereldpopulatie is klein; in Canada en de Verenigde Staten is de soort wettelijk beschermd en wordt ze in de broedgebieden intensief bewaakt. Bij een telling in 2011 werden op de Bahama's ruim duizend vogels gevonden, naar schatting een vijfde van de populatie van de Atlantische kust. In het overwinteringsgebied zijn verstoring, kustontwikkeling en zeespiegelstijging de belangrijkste bedreigingen.
Wetenschappelijke naam
Charadrius melodus | Ord, 1824
Ord beschreef de soort in 1824 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Charadrius werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Charadrius is laat-Latijn, uit het Griekse kharadrios: een onopvallend gekleurde nachtvogel van ravijnen en rivierdalen, van kharadra 'ravijn'. melodus is Grieks, van melōidos 'welluidend, zangerig', naar de heldere, fluitende roep. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Great Egg Harbor, New Jersey.



