Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Amerikaanse bontbekplevier
Amerikaanse bontbekplevier | Charadrius semipalmatus
Semipalmated Plover | Chorlito semipalmeado
De Amerikaanse bontbekplevier is de kleine, donkerbruine plevier met één zwarte borstband die in het Caribisch gebied op vrijwel elke slikplaat, zoutpan en elk modderig strand staat. Hij broedt in Alaska en Arctisch Canada en is in West-Indië een talrijke wintergast en doortrekker. Zijn naam slaat op de kleine zwemvliezen tussen de voortenen.
Geluid
De roep is een hees, stijgend tsjoe-wiet, het beste kenmerk van de soort en vaak het eerste wat van een groep op de plaat te horen is. Bij verstoring daarnaast een kort tjip. De baltsroep van het broedgebied is in het Caribisch gebied zelden te horen.
Opname: Don Profota — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
17–19 cm. Een gedrongen plevier met rond kopje en kort snaveltje. Bovendelen egaal donker grijsbruin, onderdelen wit, met één zwarte of in winterkleed bruine borstband, een donker masker door het oog en een witte voorhoofdsvlek. De snavel is oranje met een zwarte punt, in winterkleed grotendeels donker met wat oranje aan de basis; de poten zijn oranjegeel. Rond het oog een smalle gele ring. Jonge vogels zijn bruiner, met een donkere snavel en lichte veerranden op de rug. In de vlucht een smalle witte vleugelstreep. Loopt in korte spurtjes, staat stil en pikt dan snel voorover.
Verwarringssoorten
De bontbekplevier Charadrius hiaticula, in het gebied een zeldzame dwaalgast, is bijna gelijk; die heeft een bredere borstband, vaak een witte streep achter het oog, geen zwemvlies tussen middelste en binnenteen en een zuiver fluitende roep. De dikbekplevier Anarhynchus wilsonia heeft een veel zwaardere, geheel zwarte snavel en vleeskleurige poten. De dwergplevier Charadrius melodus is veel bleker, zandkleurig. De killdeerplevier Charadrius vociferus is groter, met twee borstbanden en een oranjebruine stuit.
Leefgebied
Slikplaten, getijdenvlakten, modderige en zandige stranden, de randen van zoutpannen en kustlagunes en open plekken in de mangrove; ook bij bezinkvijvers en drooggevallen oevers in het binnenland. Foerageert verspreid over de plaat, elke vogel op enige afstand van de andere, op kleine kreeftachtigen, wormen en insecten. Rust bij hoog water in groepen, vaak samen met strandlopers.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
In het hele gebied als wintergast en doortrekker: de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, de Grote Antillen, de Kaaimaneilanden, de Maagdeneilanden, de Kleine Antillen, de ABC-eilanden, Trinidad en Tobago en San Andrés. Talrijk op eilanden met uitgestrekte slikplaten en zoutpannen, zoals Puerto Rico, Cuba en de ABC-eilanden. Buiten het gebied broedt de soort van Alaska tot Newfoundland en overwintert ze langs de kusten van het zuiden van de Verenigde Staten tot Chili en Argentinië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het best bij afgaand tij op een slikplaat of langs de rand van een zoutpan, waar de vogels verspreid foerageren. Het hese tsjoe-wiet verraadt de soort vaak eerder dan het oog. In een groepje kleine plevieren helpen de snavel en de breedte van de borstband om dikbekplevier en Amerikaanse bontbekplevier uit elkaar te houden.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; de populatie lijkt stabiel. In het Caribisch gebied staan de foerageer- en rustplaatsen onder druk door bebouwing van de kust, het dempen of afgraven van zoutpannen en verstoring door mensen en honden. Op sommige eilanden wordt nog op steltlopers gejaagd.
Wetenschappelijke naam
Charadrius semipalmatus | Bonaparte, 1825
Bonaparte beschreef de soort in 1825 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Charadrius werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Charadrius is laat-Latijn, uit het Griekse kharadrios: een onopvallend gekleurde nachtvogel van ravijnen en rivierdalen, van kharadra 'ravijn'. semipalmatus is Latijn voor 'half-gezwemvliesd', van semi 'half' en palma 'handpalm', naar de kleine vliezen tussen de tenen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit kust van New Jersey.



