Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Caribische troepiaal

Caribische troepiaal | Quiscalus lugubris

Carib Grackle | Zanate caribeño

De Caribische troepiaal is de tegenhanger van de Antilliaanse troepiaal in het zuidoosten van het gebied: een kleine, luidruchtige troepiaal die op de Kleine Antillen, Trinidad en Tobago en de ABC-eilanden bij vrijwel elke strandtent, terrasje en hotel te zien is. Er worden acht ondersoorten onderscheiden, met verschillen in grootte, snavel en het kleed van het vrouwtje.

Caribische troepiaal (Quiscalus lugubris)
Foto: Calderonfrancisco — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een mengeling van ruwe en meer muzikale, klinkende tonen, met het kenmerkende belletjesachtige tikita-tikita-tikita-ting en een snel tsji-tsji-tsji-tsji. De zang verschilt van eiland tot eiland in dialect.

Luister: ZangXC1139177

Opname: Tristan Guillebot de Nerville — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

23–27 cm; het mannetje is groter dan het vrouwtje. Slank, met een spitse, licht gebogen snavel en een kielvormige staart, die bij het mannetje in een V wordt gehouden. Het mannetje is glanzend zwart met een paarse, blauwe of groenige glans en een heldergele iris. Het vrouwtje is op de meeste eilanden grijsbruin, met lichtere onderdelen en een donkerder staart; op sommige eilanden, waaronder Barbados, zijn vrouwtjes donkerder. Ook het vrouwtje heeft een gele iris. Jonge vogels zijn bruin met een donkere iris.

Verwarrings­soorten

De glanskoevogel Molothrus bonariensis is gedrongener, met een korte, kegelvormige snavel, een donker oog en een platte staart; het vrouwtje is egaal bruin zonder licht oog. De langstaarttroepiaal Quiscalus mexicanus, op Aruba en Curaçao gevestigd, is veel groter, met een veel langere staart. De grote koevogel Molothrus oryzivorus op Trinidad en Tobago is groter, met een kleine kop en een rood oog.

Leefgebied

Open gebied met bomen, vooral rond de mens: dorpen, steden, tuinen, parken, havens, akkers, weilanden, plantages en kustgebieden, ook mangroves en kuststruweel. Eet insecten, zaden, vruchten, kleine dieren en afval en neemt brutaal etensresten van tafels. Broedt in kolonies, met meerdere diepe, beklede komnesten in één boom; legsel 2–4 eieren.

Verspreiding en trek

Standvogel op de Kleine Antillen van Anguilla, Sint Maarten en Saint-Barthélemy zuidwaarts via Antigua en Barbuda, Saint Kitts en Nevis, Montserrat, Guadeloupe, Dominica, Martinique, Saint Lucia, Saint Vincent en de Grenadines en Grenada tot Barbados, en verder op Trinidad, op Tobago (ingevoerd in 1905, nu algemeen) en op Aruba, Curaçao en Bonaire. De soort heeft zich in de laatste decennia noordwaarts uitgebreid. Op de Maagdeneilanden slechts een enkele melding. Buiten het gebied in het noorden van Zuid-Amerika, van Colombia tot het noordoosten van Brazilië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op vrijwel elk eiland in het zuidoosten van het gebied bij terrassen, stranden en parkeerplaatsen. Het lichte oog en de V-vormige staart van het mannetje zijn het beste kenmerk ten opzichte van de glanskoevogel, die vaak in hetzelfde gezelschap foerageert.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen en goed aangepast aan de mens; profiteert van ontbossing en bebouwing en breidt zich op de Kleine Antillen verder uit.

Wetenschappelijke naam

Quiscalus lugubris | Swainson, 1838

Swainson beschreef de soort in 1838 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Quiscalus werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Quiscalus gaat terug op Linnaeus' soortnaam Gracula quiscula; waar hij het woord vandaan had is onzeker, mogelijk van het Taíno quisqueya, een naam voor Hispaniola. lugubris is Latijn voor 'rouwend, somber', naar het geheel zwarte 'rouwkleed'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Guyana.