Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Antilliaanse troepiaal
Antilliaanse troepiaal | Quiscalus niger
Greater Antillean Grackle | Zanate antillano
De Antilliaanse troepiaal is de algemene zwarte vogel van steden, dorpen en open land op de Grote Antillen. Hij heeft op elk eiland een eigen naam: chinchilín op Cuba en in de Dominicaanse Republiek, chango op Puerto Rico en kling-kling op Jamaica. Er worden zeven ondersoorten onderscheiden, verdeeld over Cuba, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola en Puerto Rico.
Geluid
Een metalig, klinkend kling-kling-kling en fluitende tonen in de zang, verder roepen als tsjoek, tsjoek-tsjoek en tsjin-tsjin-tsjilin, hoge wie-sie-sie-tonen en ruwe geluiden. Groepen op slaapplaatsen maken veel lawaai.
Opname: FREDERIC Lionel — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
25–30 cm, slank, met een lange, spitse, licht gebogen snavel en een lange staart die in de vlucht en bij het mannetje ook in rust een kiel of V vormt. Het mannetje is glanzend zwart met een blauwpaarse tot staalblauwe glans. Het vrouwtje is kleiner en doffer, met een kortere, minder gekielde staart. Beide seksen hebben een heldergele iris. Jonge vogels zijn dofzwart tot bruinzwart met een donkere iris. De ondersoort van Jamaica heeft een zwaardere snavel.
Verwarringssoorten
De Cubaanse zwarte troepiaal Ptiloxena atroviolacea is steviger, met een donkere iris en een platte staart. De glanskoevogel Molothrus bonariensis is kleiner, met een korte, kegelvormige snavel, een donker oog en een platte staart. De Jamaicaanse troepiaal Nesopsar nigerrimus heeft een donker oog en leeft in bergbos. De langstaarttroepiaal Quiscalus mexicanus, inmiddels op Jamaica, Hispaniola en Puerto Rico gevestigd, is veel groter, met een veel langere staart; vrouwtjes zijn bruin.
Leefgebied
Open landschappen met bomen: savanne, weilanden, akkers, licht bos, struweel, moerassen, mangrove, parken en tuinen, en bovenal steden en dorpen. Foerageert op de grond en in bomen op insecten, zaden, vruchten, kleine hagedissen en afval. Broedt in kolonies, met open komnesten van plantenvezels en modder in mangroves of palmen, meestal 5–16 m hoog. Overnacht in steden in groepen van soms duizenden vogels.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Standvogel op Cuba, Isla de la Juventud en de cayos, Grand Cayman en Little Cayman, Jamaica, Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek) en Puerto Rico met Vieques. Op de Amerikaanse en Britse Maagdeneilanden en verder oostwaarts slechts een enkele melding. Ontbreekt op de Bahama's. Buiten het Caribisch gebied komt de soort niet voor.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op vrijwel elk stadsplein, bij elk hotel en in elk dorp op de Grote Antillen. De gele iris en de kielvormige staart zijn de beste kenmerken. 's Avonds verzamelen de vogels zich op slaapplaatsen in stadsparken.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Talrijk en sterk aangepast aan de mens. Wordt op sommige eilanden als plaag in rijst- en maïsvelden beschouwd. De komst van de langstaarttroepiaal kan op termijn tot concurrentie leiden.
Wetenschappelijke naam
Quiscalus niger | (Boddaert, 1783)
Boddaert beschreef de soort in 1783 als Oriolus niger; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Quiscalus werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Quiscalus gaat terug op Linnaeus' soortnaam Gracula quiscula; waar hij het woord vandaan had is onzeker, mogelijk van het Taíno quisqueya, een naam voor Hispaniola. niger is Latijn voor 'zwart', naar het glanzend zwarte verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Port-au-Prince, Haïti.






