Alle soorten › Zangvogels › Spotlijsters › Bruine sidderspotlijster

Bruine sidderspotlijster | Cinclocerthia ruficauda

Brown Trembler | Cocobino pardo

De bruine sidderspotlijster is de wijdst verspreide van de twee sidderspotlijsters, een geslacht dat alleen op de Kleine Antillen voorkomt. Zoals de naam zegt, trilt hij vaak met de half geopende, hangende vleugels. Met zijn lange, licht gebogen snavel doorzoekt hij bladrozetten en epifyten, meer als een boomkruiper dan als een spotlijster. De soort leeft op de eilanden van Saba tot Dominica en op Saint Vincent.

Bruine sidderspotlijster (Cinclocerthia ruficauda)
Foto: Aristoi — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang bestaat uit losse, wisselende frasen met lange pauzes, deels ruw, deels vol en kwetterend, deels hoog en piepend. De roep is een nasaal, raspend jieeeh, dat vaak vele malen wordt herhaald.

Luister: ZangXC971334

Opname: Étienne Leroy — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

23–26 cm, met een lange, licht gebogen, donkere snavel en een staart die vaak omhoog wordt gehouden. De bovendelen zijn donker olijfbruin met een roodbruine tint, het sterkst op stuit en staart. De onderdelen zijn grijsbruin tot geelbruin, ongevlekt, op de keel lichter. De iris is geel. De seksen zijn gelijk, maar vrouwtjes hebben een duidelijk langere snavel. De vier ondersoorten verschillen in de tint van boven- en onderdelen; de vogels van Saint Vincent zijn het donkerst.

Verwarrings­soorten

De grijze sidderspotlijster Cinclocerthia gutturalis van Martinique en Saint Lucia is grijzer, met een lichte keel en borst; de twee soorten komen niet samen voor. De geschubde spotlijster Allenia fusca en de witoogspotlijster Margarops fuscatus hebben een kortere, zwaardere snavel en een gevlekte of geschubde onderzijde. De antillenlijster Turdus lherminieri heeft een gele snavel, gele poten en een gele oogring.

Leefgebied

Vochtig, altijdgroen bos, ook ouder secundair bos en plantages met schaduwbomen, van zeeniveau tot ongeveer 900 m. Foerageert op de grond en in alle lagen van het bos, waarbij de snavel in epifyten, bladrozetten, mos en dood blad wordt gestoken. Eet vooral ongewervelde dieren, verder kleine vruchten en soms kleine hagedissen en kikkers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Standvogel op Saba, Sint Eustatius, Saint Kitts, Nevis en Montserrat (ondersoort pavida), Guadeloupe (tremula), Dominica (nominaatvorm) en Saint Vincent (tenebrosa). Op Martinique en Saint Lucia vervangen door de grijze sidderspotlijster. Van de vlakke, droge eilanden zoals Antigua, Barbuda en Anguilla zijn geen populaties bekend. Buiten de Kleine Antillen komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het beste langs bospaden in het vochtige binnenland, zoals in het Nationaal Park Morne Trois Pitons op Dominica, de Centre Hills op Montserrat en het bos van de Quill op Sint Eustatius. De raspende roep verraadt de vogel vaak eerder dan het zicht; een vogel met opgeheven staart en trillende vleugels is zeker een sidderspotlijster.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; het populatieverloop is onbekend. De soort is plaatselijk algemeen, maar afhankelijk van vochtig bos op kleine eilanden en daardoor kwetsbaar voor ontbossing en orkaanschade. Op Montserrat ging een deel van het leefgebied verloren door de vulkaanuitbarstingen sinds 1995.

Wetenschappelijke naam

Cinclocerthia ruficauda | (Gould, 1836)

Gould beschreef de soort in 1836 als Stenorhynchus ruficauda; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cinclocerthia werd in 1840 ingevoerd door Gray. Cinclocerthia combineert Cinclus (van Grieks kinklos 'lijster') en Certhia 'boomkruiper': een lijsterachtige vogel die als een boomkruiper langs stammen klautert. ruficauda is Latijn, van rufus 'rood' en cauda 'staart', naar de roodbruine staart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Dominica (vastgelegd; oorspronkelijk niet vermeld).