Alle soorten › Kolibries en gierzwaluwen › Gierzwaluwen › Braziliaanse palmgierzwaluw

Braziliaanse palmgierzwaluw | Tachornis squamata

Fork-tailed Palm Swift | Vencejillo tijereta

De Braziliaanse palmgierzwaluw is een kleine, zeer slanke gierzwaluw van het Zuid-Amerikaanse laagland, die in het gebied alleen op Trinidad voorkomt. Hij is sterk gebonden aan palmen, vooral aan de morichepalm Mauritia flexuosa, waarin hij ook broedt. De vogels op Trinidad en in de Guyana's worden tot de donkere ondersoort semota gerekend.

Braziliaanse palmgierzwaluw (Tachornis squamata)
Foto: Julien Renoult — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In vlucht een trillerend trrrrrie, een zoemend dzzzzz en een dun, gonzend geluid, vaak van groepjes rond de nestpalmen.

Luister: VluchtroepXC982842

Opname: Jacob Wijpkema — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13 cm, maar licht gebouwd, met lange, smalle vleugels en een lange, diep gevorkte staart die meestal gesloten wordt gehouden en dan als een dunne punt achter de vogel uitsteekt. De bovendelen zijn zwartbruin met een groenige glans en smalle, lichte veerranden. De wangen zijn grijsbruin, de onderdelen vuilwit met bruine vlekjes, wat een geschubd patroon geeft. De seksen zijn gelijk. In vlucht oogt de vogel als een smal kruis met een spitse staart.

Verwarrings­soorten

De cayennegierzwaluw Panyptila cayennensis heeft eveneens een lange, meestal gesloten gevorkte staart, maar is groter, zwart met een scherp afgetekende witte keel en borst en witte vlekken op de achterflanken. De Chaetura-gierzwaluwen op Trinidad, zoals de kortstaartgierzwaluw Chaetura brachyura en de grijsstuitgierzwaluw Chaetura cinereiventris, zijn gedrongener, met een korte, ronde staart en donkere onderdelen. Zwaluwen hebben bredere vleugels en een glijdende vlucht.

Leefgebied

Laagland met palmen: palmmoerassen en natte savannes met morichepalmen, overstroomde graslanden, rivierbossen en de randen van regenwoud, en ook dorpen en plantages met palmen. Jaagt meestal laag boven het open terrein rond de palmen op kleine insecten. Het nest is een rommelige, langwerpige prop veren, met speeksel aan elkaar gekit en aan de onderkant van een dood palmblad bevestigd.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen op Trinidad, waar de soort plaatselijk algemeen is in het laagland, vooral in het oosten en midden van het eiland. Op Tobago niet als standvogel bekend. Buiten het gebied in het noorden van Zuid-Amerika: Venezuela, Colombia, de Guyana's, het Amazonegebied van Brazilië, Ecuador, Peru en Bolivia.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het beste te zien bij groepen morichepalmen, zoals in de Aripo-savanne en langs de randen van het Nariva-moeras, en bij palmen in het open laagland. De vogels vliegen vaak laag en rusteloos rond de palmkronen en zijn in de vroege ochtend en tegen de avond het actiefst.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en is plaatselijk algemeen. Ze is afhankelijk van palmen; het verdwijnen van palmmoerassen door ontwatering en ontginning kan plaatselijk tot achteruitgang leiden.

Wetenschappelijke naam

Tachornis squamata | (Cassin, 1853)

Cassin beschreef de soort in 1853 als Cypselus squamatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tachornis werd in 1847 ingevoerd door Gosse. Tachornis is Grieks, van takhus 'snel' en ornis 'vogel': 'snelle vogel'. squamata is Latijn voor 'geschubd', naar het geschubde patroon van lichte veerranden. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Guyana.