Alle soorten › Zangvogels › Muggenvangers › Blauwgrijze muggenvanger

Blauwgrijze muggenvanger | Polioptila caerulea

Blue-grey Gnatcatcher | Perlita azulgris

De blauwgrijze muggenvanger is een klein, beweeglijk vogeltje met een lange, wippende staart. Op de Bahama's broedt een eigen ondersoort, caesiogaster; in de winter komen daar en op Cuba en de Kaaimaneilanden Noord-Amerikaanse vogels bij. In het noordwesten van het gebied is het dan een van de algemeenste wintergasten onder de kleine zangvogels.

Blauwgrijze muggenvanger (Polioptila caerulea)
Foto: CheepShot — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een dun, zeurend, nasaal spiie of tsjie, vaak herhaald en het hele jaar te horen. De zang is een zachte, hoge reeks van gekwetter en korte, nasale tonen, op de Bahama's in het voorjaar te horen.

Luister: RoepXC1136174

Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

10–13 cm, slank, met een dun, recht snaveltje en een lange staart. Bovendelen blauwgrijs, onderdelen wit met een grijze zweem. Een volledige, smalle witte oogring. De staart is zwart met witte buitenste pennen; van onderen lijkt hij vrijwel wit. Mannetjes in broedkleed hebben een zwarte streep op het voorhoofd die doorloopt boven het oog. Vrouwtjes en vogels in winterkleed zijn grijzer van boven en missen die streep. Wipt en waaiert voortdurend met de staart.

Verwarrings­soorten

De Cubaanse muggenvanger Polioptila lembeyei heeft een zwarte halvemaan achter het oog rond de oorstreek, is grijzer van onderen en leeft alleen in kuststruweel op Cuba. Een zittende vogel van boven kan aan een zanger doen denken, maar de lange zwart-witte staart en de egale blauwgrijze tint zijn kenmerkend.

Leefgebied

Pijnbos, droog loofbos en kustbos, doornstruweel en kuststruweel, mangroveranden en tuinen met bomen en struiken. Foerageert actief in het bladerdak en de struiken op kleine insecten en spinnen, die van bladeren worden gepikt of in een korte vlucht worden gevangen. Het nest is een klein, hoog kommetje van plantenvezels, spinrag en korstmossen op een tak.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Standvogel en broedvogel op de Bahama's, met in de winter ook trekvogels uit Noord-Amerika; aanwezig op de Turks- en Caicoseilanden. Algemene wintergast op Cuba, inclusief de Isla de la Juventud en de cayos, en op de Kaaimaneilanden. Zeldzaam tot dwaalgast op Jamaica, Hispaniola, Puerto Rico en de Maagdeneilanden. Buiten het gebied broedt de soort van het zuiden van Canada en het oosten en zuidwesten van de Verenigde Staten tot Mexico en Guatemala, en overwintert ze tot in Midden-Amerika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter op Cuba in vrijwel elk droog bos en kuststruweel, bijvoorbeeld op het schiereiland Zapata en de noordelijke cayos, en op de Bahama's in het pijnbos. De nasale roep en de wippende staart verraden de vogel; op Cuba is het zaak elke muggenvanger in kuststruweel te controleren op de halvemaan van de Cubaanse muggenvanger.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De populatie is groot en heeft haar broedgebied in Noord-Amerika de afgelopen decennia naar het noorden uitgebreid.

Wetenschappelijke naam

Polioptila caerulea | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Motacilla caerulea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Polioptila werd in 1855 ingevoerd door Sclater. Polioptila is Grieks, van polios 'grijs' en ptilon 'veer': 'grijsgeveerd'. caerulea is Latijn voor 'hemelsblauw', naar de blauwgrijze bovendelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Philadelphia, Pennsylvania, VS.