Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Antillensaltator

Antillensaltator | Saltator albicollis

Lesser Antillean Saltator | Pepitero antillano

De Antillensaltator is een forse, olijfkleurige zaadeter die alleen op vier eilanden van de Kleine Antillen voorkomt: Guadeloupe, Dominica, Martinique en Sint-Lucia. Lange tijd werd hij samen met de gestreepte saltator Saltator striatipectus van Midden- en Zuid-Amerika als één soort opgevat; tegenwoordig geldt hij als aparte, endemische soort. Saltators horen bij de tangarefamilie en eten naast zaden ook veel vruchten, bloemen en knoppen.

Antillensaltator (Saltator albicollis)
Foto: (c) Tommy Andriollo, some rights reserved (CC BY) — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks vrij luide, wat rauwe tonen die afwisselend stijgen en dalen, meestal vanaf een open zitplaats boven in een struik of boom gebracht.

Luister: ZangXC1056114

Opname: Denis Dujardin — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

21–22 cm, met een vrij lange staart en een zware, kegelvormige, donkere snavel. De bovendelen zijn olijfgroen, de onderrug en stuit grijziger. De keel is groenig wit, aan weerszijden begrensd door een donkere baardstreep. Borst en buik zijn dof olijf met vage, donkere strepen. De seksen zijn gelijk. Vogels van Guadeloupe (ondersoort guadelupensis) zijn van onder vaak donkerder en meer geelbruin getint.

Verwarrings­soorten

Op de vier eilanden is er weinig mee te verwarren. Vrouwtjes en jonge vogels van het Antillendikbekje Loxigilla noctis zijn veel kleiner, egaal bruin tot olijfbruin, zonder strepen op de borst en met een kortere staart. De geschubde spotlijster Allenia fusca en de grotere witoogspotlijster Margarops fuscatus zijn bruin, met een langere, slankere snavel en een geschubde of gevlekte borst. De gestreepte saltator en de Caribische grijze saltator Saltator olivascens leven in het gebied alleen op Trinidad.

Leefgebied

Vooral droog struweel en de randen van droog en halfgroen bos in het laagland, maar ook mangrove, vochtiger bos, tuinen en ruig cultuurland met struiken en bomen, van zeeniveau tot ongeveer 500 m. Foerageert van de struiklaag tot in de kronen, meestal alleen of in paren, op vruchten, bloemen, knoppen, zaden en enkele insecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Endemisch in de Kleine Antillen: standvogel op Guadeloupe, Dominica, Martinique en Sint-Lucia, en op elk van die eilanden algemeen. Van Nevis is een losse waarneming bekend, mogelijk van een vogel uit gevangenschap. Buiten deze eilanden komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het meest kansrijk in droog struweel en bosranden langs de lijzijde van de eilanden, maar ook in tuinen en rond dorpen. De luide zang verraadt de vogel; zingende exemplaren zitten vaak zichtbaar boven in een struik of boom.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Het verspreidingsgebied is klein, maar de soort is algemeen en komt ook in secundaire begroeiing, tuinen en cultuurland voor; de populatie wordt stabiel geacht en er zijn geen directe bedreigingen bekend.

Wetenschappelijke naam

Saltator albicollis | Vieillot, 1817

Vieillot beschreef de soort in 1817 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Saltator werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Saltator is Latijn voor 'danser, springer', naar de huppende bewegingen van deze vogels. albicollis is Latijn, van albus 'wit' en collum 'hals', naar de witte keel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Martinique.