Alle soorten › Steltloperachtigen › Kluten › Amerikaanse steltkluut

Amerikaanse steltkluut | Himantopus mexicanus

Black-necked Stilt | Candelero americano

De Amerikaanse steltkluut is een slanke, zwart-witte steltloper op zeer lange roze poten, met een snavel zo dun en recht als een naald. Hij is in het Caribisch gebied een kenmerkende vogel van zoutpannen, lagunes en zoetwatermoerassen en broedt op vrijwel alle grotere eilanden. Op Cuba heet hij cachiporra, op Puerto Rico viuda.

Amerikaanse steltkluut (Himantopus mexicanus)
Foto: Frank Schulenburg — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Luidruchtig. De roep is een scherp, blaffend kjep of kek, in reeksen herhaald, die bij verstoring in de broedtijd aanhoudend en dringend wordt; de hele groep valt dan in. Ook in de vlucht vaak roepend.

Luister: RoepXC1176303

Opname: José María Loaiza B. — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

35–39 cm, waarvan een groot deel poot. De bovendelen, achterhals en kop zijn glanzend zwart, met een witte vlek boven het oog; voorhals, borst en buik zijn wit. De snavel is zwart, lang, dun en recht, de poten zijn helder roze tot rood. Het vrouwtje heeft een bruinere rug dan het mannetje. Jonge vogels zijn van boven grijsbruin met lichte veerranden en hebben doffer roze poten. In de vlucht zijn de vleugels van boven en onder geheel zwart en steken de poten ver achter de staart uit.

Verwarrings­soorten

De steltkluut Himantopus himantopus, een zeer zeldzame dwaalgast, heeft een witte kop en achterhals; bij die soort is het zwart hooguit beperkt tot een vlek op kruin en nek, en de witte vlek boven het oog ontbreekt. De Amerikaanse kluut Recurvirostra americana heeft een opgewipte snavel, blauwgrijze poten en wit met zwart in de vleugel. De grote geelpootruiter Tringa melanoleuca is gevlekt grijs, met gele poten.

Leefgebied

Ondiep zoet, brak en zout water: zoutpannen, kustlagunes, mangroveranden, getijdenslikken, zoetwatermoerassen, rioolwaterbekkens, viskwekerijen en ondergelopen rijstvelden. Foerageert lopend in ondiep water en pikt met de naaldsnavel kleine prooien van het wateroppervlak en uit de bovenste sliblaag: waterinsecten en hun larven, kleine kreeftachtigen en visjes. Broedt in losse groepjes op kale oevers, dijkjes en eilandjes; het nest is een kuiltje, soms op een hoopje plantenmateriaal.

Verspreiding en trek

Algemeen op Cuba, Hispaniola, Puerto Rico en Jamaica, en wijdverbreid op de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, de Kaaimaneilanden en de Maagdeneilanden. Ook algemeen op de ABC-eilanden en op Trinidad. In de Kleine Antillen plaatselijk broedvogel, onder meer op Anguilla, Sint-Maarten, Antigua en Guadeloupe; op de zuidelijker eilanden en op Barbados schaars, op Tobago een dwaalgast. Op de noordelijke eilanden trekt een deel van de vogels buiten de broedtijd weg, terwijl er doortrekkers uit Noord-Amerika bijkomen. Ook op San Andrés. Buiten het gebied van de Verenigde Staten via Mexico en Midden-Amerika tot het noorden en westen van Zuid-Amerika en de Galápagos; op Hawaï leeft een eigen ondersoort.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Vrijwel elke zoutpan of lagune met ondiep water is een goede plek, ook dicht bij bebouwing en langs wegen. In de broedtijd melden de vogels zich vanzelf met hun blaffende roep en vliegen ze laag rond indringers; afstand houden van kale oevers en dijkjes waar ze broeden voorkomt verstoring.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort profiteert plaatselijk van kunstmatige wateren zoals zoutwinningen, viskwekerijen en waterzuiveringsbekkens. Het opvullen van kustlagunes, verstoring van broedplaatsen en predatie van eieren en jongen door ingevoerde zoogdieren zijn plaatselijk een probleem.

Wetenschappelijke naam

Himantopus mexicanus | (Müller, 1776)

Müller beschreef de soort in 1776 als Charadrius Mexicanus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Himantopus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Himantopus is Grieks, van himas 'riem, band' en pous 'voet': 'riemvoet', naar de dunne lange poten. mexicanus betekent 'van Mexico', het land van de typelocatie. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mexico.