Alle soorten › Genten en aalscholvers › Slangenhalsvogels › Amerikaanse slangenhalsvogel
Amerikaanse slangenhalsvogel | Anhinga anhinga
Anhinga | Anhinga americana
De Amerikaanse slangenhalsvogel is een donkere watervogel met een lange, dunne, geknikte hals, een kleine kop en een dolkvormige snavel waarmee hij onder water vissen spietst. Hij zwemt vaak met alleen kop en hals boven water, als een slang, en zit daarna met gespreide vleugels te drogen. In het gebied leeft hij vooral op Cuba en Trinidad; de vogels van Cuba en de Kaaimaneilanden behoren tot de noordelijke ondersoort Anhinga anhinga leucogaster, die van Trinidad tot de nominaatvorm.
Geluid
Meestal stil. Bij het nest en in slaapplaatsen een droog, klikkend of ratelend krr-krr-krr, en bij het naderen van het nest een zacht gekoer.
Opname: Jacob Wijpkema — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
75–95 cm, met een lange, waaiervormige staart. Het mannetje is glanzend zwart met groene weerschijn, met zilverwitte vlekken en strepen op mantel en bovenvleugel en een lichte eindband aan de staart; in de broedtijd heeft het lichte pluimen op de achterhals. Het vrouwtje heeft dezelfde vleugeltekening, maar een licht beigebruine kop, hals en borst, scherp gescheiden van de zwarte buik. De snavel is spits en geel, het oog rood. Jonge vogels zijn bruiner, met minder wit op de vleugel. Zweeft vaak hoog op thermiek, met gestrekte hals en gespreide staart, als een kruis aan de hemel.
Verwarringssoorten
De bigua-aalscholver Nannopterum brasilianum en de geoorde aalscholver Nannopterum auritum hebben een kortere, dikkere hals, een gehaakte snavel, een kortere staart en geen zilverwitte vleugeltekening; ze zwemmen met het lichaam hoger in het water. In vlucht zijn aalscholvers aan hun snelle vleugelslag en kortere staart te herkennen; zwevend op thermiek zijn ze zelden te zien.
Leefgebied
Rustig zoet en brak water met bomen of struiken langs de oever: meren, vijvers, trage rivieren, kanalen, moerasbos, mangrove en waterbekkens, ook rijstvelden. Jaagt zwemmend onder water op vis en spietst die met de snavel, gooit hem boven water op en slikt hem met de kop naar voren in. Broedt in kolonies, vaak samen met reigers, in bomen en struiken boven water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Op Cuba vrij algemeen in grotere wetlands en bij waterbekkens, ook op het Isla de la Juventud. Op Grand Cayman tegenwoordig jaarrond in kleine aantallen. Op Trinidad een standvogel van de zoetwatermoerassen, zoals Nariva en het Caroni-gebied. Vroeger ook gemeld van Grenada. Dwaalgast op de Bahama's, Barbados en San Andrés. Buiten het gebied van het zuidoosten van de Verenigde Staten door Mexico en Midden-Amerika tot in Argentinië.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op Cuba vrijwel zeker bij de lagunes en kanalen van de Ciénaga de Zapata en bij grotere waterbekkens, waar de vogels op dode takken boven het water met gespreide vleugels zitten. Zwemmende vogels zijn vaak alleen te zien als een dunne hals die boven het water uitsteekt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort is plaatselijk afhankelijk van het behoud van zoetwatermoerassen en oeverbomen; vogels raken soms verstrikt in vislijnen en netten. In Cuba heet de soort marbella.
Wetenschappelijke naam
Anhinga anhinga | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Plotus anhinga; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anhinga werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Anhinga gaat terug op een Tupi-naam uit Brazilië voor deze vogel; de vaak genoemde betekenis 'duivelsvogel' is niet zeker. anhinga is de naam van de vogel in het Tupi, een inheemse taal van Brazilië. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rio Tapajós, Pará, Brazilië.





