Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Amerikaanse bosruiter

Amerikaanse bosruiter | Tringa solitaria

Solitary Sandpiper | Andarríos solitario

De Amerikaanse bosruiter is een donkere, middelgrote ruiter van zoetwateroevers, die meestal alleen foerageert. Hij broedt in de boreale bossen van Canada en Alaska en is de enige Amerikaanse steltloper die zijn eieren in oude nesten van zangvogels in bomen legt. In het Caribisch gebied is hij een vrij algemene doortrekker en wintergast bij vijvers en sloten.

Amerikaanse bosruiter (Tringa solitaria)
Foto: Dario Sanches — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoog, helder piet-wiet of piet-wiet-wiet, hoger en scherper dan bij de Amerikaanse oeverloper, vaak bij het opvliegen.

Luister: VluchtroepXC1021691

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

18–23 cm, slank, met een rechte, donkere snavel van ongeveer kopslengte en groenachtige poten. Bovendelen donker olijfbruin met fijne witte stippen, kop en borst grijsbruin gestreept, buik wit. Een kenmerkende witte oogring en een lichte streep tussen snavel en oog. In vlucht donkere vleugels zonder vleugelstreep, een donkere ondervleugel, een donkere stuit en middenstaart en wit met zwart gebandeerde buitenste staartpennen. Jonge vogels hebben bruinere bovendelen met roomkleurige stippen. Hij knikt vaak met kop en voorlijf.

Verwarrings­soorten

De kleine geelpootruiter Tringa flavipes is lichter, heeft langere, felgele poten, een vierkante witte stuit en geen duidelijke oogring. De Amerikaanse oeverloper Actitis macularius is gedrongener, wipt met het achterlijf, heeft een witte vleugelstreep en vliegt laag met trillende vleugelslagen. Op afstand is de combinatie van donkere stuit en gebandeerde staartzijden bij een opvliegende vogel kenmerkend.

Leefgebied

Kleine zoetwaterplassen, modderige vijveroevers, sloten, rivieroevers, rijstvelden, ondergelopen weilanden en tijdelijke regenwaterplassen, ook in bosrijke omgeving; zelden aan de kust of op zoutpannen. Waadt rustig in ondiep water en pikt insecten en larven van het oppervlak of roert met een poot de bodem op.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Doortrekker en wintergast in het hele gebied: de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, de Grote Antillen, de Kaaimaneilanden, de Maagdeneilanden, de Kleine Antillen, de ABC-eilanden, San Andrés en Trinidad en Tobago. Het meest talrijk tijdens de herfsttrek in augustus tot oktober en in het voorjaar in maart en april; in de winter op de meeste eilanden in kleine aantallen. Buiten het gebied broedt de soort in Alaska en Canada en overwintert ze van Mexico tot Argentinië, met grote aantallen in het Amazonebekken.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Een losse, donkere ruiter met een witte oogring aan een kleine, beschutte plas of een sloot is de kansrijkste waarneming; groepen strandlopers op open slik zijn minder geschikte plaatsen. Bij het opvliegen helpt de hoge roep en de donkere stuit.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Door de verspreide leefwijze en het afgelegen broedgebied zijn trends slecht bekend; in het Caribisch gebied is de soort afhankelijk van kleine zoetwaterplassen die vaak worden drooggelegd of gedempt.

Wetenschappelijke naam

Tringa solitaria | Wilson, 1813

Wilson beschreef de soort in 1813 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Tringa werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Tringa is de neolatijnse naam die Aldrovandi aan het witgatje gaf, naar het Griekse trungas, bij Aristoteles een waadvogel zo groot als een lijster, met witte stuit en wippende staart. solitaria is Latijn voor 'eenzaam', van solus 'alleen', naar de gewoonte om alleen te verschijnen in plaats van in groepen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Pocono Mountains in Pennsylvania.