Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Grauwe franjepoot
Grauwe franjepoot | Phalaropus lobatus
Red-necked Phalarope | Falaropo picofino
De grauwe franjepoot is een kleine steltloper die buiten de broedtijd op open zee leeft, waar hij als een kurk op het water drijft en in groepen voedsel zoekt langs stroomnaden. Hij broedt op de arctische toendra en overwintert in de Amerikaanse populatie vooral in de Grote Oceaan voor Peru en Ecuador. Een in Schotland gezenderde vogel trok via IJsland, Groenland en de oostkust van Noord-Amerika over het Caribisch gebied en Mexico naar die wateren. In het gebied wordt de soort maar zelden gezien.
Geluid
Een kort, scherp twit of kip, vooral in vlucht of uit groepen op het water.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
18–20 cm, klein en fijn gebouwd, met een korte, naaldfijne zwarte snavel en gelobde tenen. In het winterkleed grijs van boven met witte veerzomen, wit van onder, met een witte kop, een donkere achterkruin en een zwarte vlek die van het oog naar achteren loopt. Jonge vogels zijn donkerder op de rug, met twee roomkleurige lengtestrepen en een okergetinte borst. Het vrouwtje in broedkleed is leigrijs met een witte keel en een kastanjebruine hals; het mannetje is doffer. In vlucht een duidelijke witte vleugelstreep en een donkere middenstaart.
Verwarringssoorten
De grote franjepoot Phalaropus tricolor is groter, langer gesnaveld, heeft geen vleugelstreep en geen zwarte oogvlek, maar wel een witte stuit, en loopt veel op slik. De drieteenstrandloper Calidris alba heeft ook een zwartachtige vlek bij de vleugelbocht en een witte vleugelstreep, maar zwemt niet, heeft een dikkere snavel en rent langs de branding.
Leefgebied
Buiten de broedtijd vooral op open zee, waar opwellend water plankton naar het oppervlak brengt. Na stormen of bij trek ook op zoutpannen, lagunes en vijvers vlak achter de kust. Zwemmend draait hij snel rondjes en pikt kleine kreeftachtigen en insecten van het oppervlak.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Zeldzame doortrekker en dwaalgast, met gevallen van de Bahama's, Cuba, Hispaniola, Puerto Rico, de Maagdeneilanden, enkele Kleine Antillen en de ABC-eilanden; vaak losse vogels op zoutpannen, soms groepjes op zee. Omdat er weinig zeewaarnemingen zijn, is het werkelijke voorkomen in de Caribische wateren slecht bekend. Buiten het gebied broedt de soort rond de hele Arctis en overwintert ze op tropische zeeën: voor de westkust van Zuid-Amerika, in de Arabische Zee en in de wateren van Indonesië en Nieuw-Guinea.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zoutpannen en kustvijvers na stormachtig weer in de herfst, en pelagische tochten bij stroomnaden. Een kleine, zwemmende steltloper die snel rondjes draait is een franjepoot; de zwarte oogvlek en de witte vleugelstreep wijzen op deze soort.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Belangrijke pleisterplaatsen zijn in het verleden sterk in aantallen achteruitgegaan; de oorzaken zijn niet volledig bekend.
Wetenschappelijke naam
Phalaropus lobatus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tringa tobata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phalaropus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Phalaropus gaat via het Franse phalarope terug op het Griekse phalaris 'meerkoet' en pous 'voet': net als meerkoeten hebben franjepoten gelobde tenen. lobatus is modern Latijn voor 'gelobd', naar de zwemlobben langs de tenen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Hudsonbaai.


