Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Amerikaanse boslijster

Amerikaanse boslijster | Hylocichla mustelina

Wood Thrush | Zorzal maculado

De Amerikaanse boslijster broedt in loofbos in het oosten van Noord-Amerika en overwintert in Midden-Amerika, van het zuiden van Mexico tot Panama. De meeste vogels trekken over of langs de Golf van Mexico, zodat het Caribisch gebied buiten de hoofdroute ligt. In het noordwesten is hij een zeldzame doortrekker, vooral op Cuba; verder oostelijk een dwaalgast.

Amerikaanse boslijster (Hylocichla mustelina)
Foto: Mike's Birds from Riverside, CA, US — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In het gebied meestal stil. De alarmroep is een snel, droog pit-pit-pit of poek-poek; trekkende vogels laten 's nachts een zoemend hie horen. De zang, in het broedgebied, is een fluitende, meerdelige strofe als ie-o-lee, besloten met een trillerige toon.

Luister: ZangXC1137114

Opname: Daniel Parker — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

18–21 cm, de grootste en zwaarste van de bruine Noord-Amerikaanse lijsters, met een ronde buik en een vrij korte staart. Kruin en nek zijn warm roestbruin, de rug en staart koeler olijfbruin. Een duidelijke witte oogring, wangen met zwart en wit gestreept. De onderdelen zijn wit met grote, ronde, zwarte vlekken op borst, flanken en buik. De poten zijn roze. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De dwerglijsters Catharus, zoals de dwerglijster Catharus ustulatus en de veery Catharus fuscescens, zijn kleiner en slanker, met kleinere, minder talrijke vlekken die tot de borst beperkt blijven en een vrijwel ongevlekte buik. De ovenvogel Seiurus aurocapilla lijkt op afstand op een kleine boslijster, maar is een zanger met een oranje kruinstreep met zwarte randen en gestreepte, niet gevlekte onderdelen.

Leefgebied

Op de trek in vochtig en halfgroen loofbos, droog bos, kustbos en kalksteenbos met een dichte ondergroei en strooisellaag, ook in beschaduwde tuinen. Zoekt op de grond tussen het blad naar insecten, slakken en andere ongewervelden en eet ook vruchten. In het overwinteringsgebied houdt elke vogel een eigen territorium in het bos.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Zeldzame doortrekker op Cuba, de Bahama's en de Kaaimaneilanden; op Cuba overwinteren af en toe vogels. Dwaalgast op Jamaica, Puerto Rico, Antigua, Curaçao en Aruba. Broedt van het zuidoosten van Canada tot in het oosten en zuiden van de Verenigde Staten en overwintert van het zuidoosten van Mexico tot Panama, vooral in het laagland.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De kans is het grootst in oktober en in april in het westen van Cuba en op Grand Cayman, op plekken met dicht bos en een natte strooisellaag. Een vogel die op de grond stil staat en dan een paar sprongen maakt, met grote zwarte vlekken op een witte borst, is deze soort.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, maar de broedpopulatie is sinds 1966 ongeveer gehalveerd, onder meer door versnippering van broedbos en verlies van bos in het overwinteringsgebied. In het Caribisch gebied schaars tot zeldzaam.

Wetenschappelijke naam

Hylocichla mustelina | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als T[urdus] mustelinus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Hylocichla werd in 1864 ingevoerd door Baird. Hylocichla is Grieks, van hulē 'bos' en kikhlē 'lijster': 'boslijster'. mustelina is Latijn voor 'wezelachtig', van mustela 'wezel', naar de warme, roodbruine bovendelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit New York, VS.