Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Woestijntapuit
Woestijntapuit | Oenanthe deserti
Desert Wheatear | Collalba desértica
Bij de woestijntapuit is de staart, anders dan bij de meeste tapuiten, niet wit met zwart maar bijna helemaal zwart, en het zwart van de keel loopt door over de zijhals tot op de schouder. Hij hoort thuis op de zand- en steenvlakten van Noord-Afrika en Centraal-Azië, maar in november staat er soms een op een strandhoofd aan de Noordzee.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
De zang is een korte, ijle, klaaglijke strofe van twee tot vijf gerekte fluittonen die aan het eind wegzakken, tsjiew-tsjiew-tsjiuuu, vaak vanaf een steen of struik en soms in een korte fladdervlucht. Het geluid is opvallend triest en draagt ver over kaal terrein. De roep is een zacht tsjek en een dun, opgaand hwiet, en bij onrust een ratelend tsjrrr. Zingt van februari tot in juni, in Noord-Afrika al vroeg in het jaar.
Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Kleine, bleke tapuit van zo'n 15 centimeter. Het mannetje is zandkleurig van boven en romig van onder, met een zwart gezicht en een zwarte keel die zonder onderbreking doorloopt over de zijhals tot aan de zwarte schouder — dat doorlopende zwart is het beste kenmerk. Boven het oog staat een lichte wenkbrauwstreep, de vleugels zijn zwartbruin met brede lichte veerzomen. De staart is vrijwel geheel zwart, met wit alleen aan de uiterste basis: in vlucht zie je dus een lichte stuit die abrupt overgaat in een egaal zwarte staart, zonder omgekeerde T. Het vrouwtje mist het zwart op de keel, is grijzer bruin van boven en beige van onder, maar heeft precies dezelfde zwarte staart.
Verwarringssoorten
De vuistregel is kort: elke tapuit met een geheel zwarte staart is een woestijntapuit. De tapuit heeft een breed wit staartvlak met een zwarte omgekeerde T; de westelijke en de Oostelijke blonde tapuit hebben in de zwartkelige vorm ook een zwarte keel, maar hun staart is grotendeels wit met een smalle eindband, en hun zwarte keel loopt niet door tot op de schouder. De bonte tapuit heeft een zwarte mantel en witte onderdelen. De izabeltapuit is groter, hoogbeniger en volledig egaal zandkleurig zonder enig zwart op de kop, en heeft wit op de staartbasis met een brede zwarte eindband. Vrouwtjes en najaarsvogels van al deze soorten lijken sterk op elkaar; kijk dan alleen naar de staart en naar hoever het wit reikt.
Leefgebied
Zand- en steenwoestijn, halfwoestijn en dorre vlakten: hamada (kale, met grind bedekte rotswoestijn), kiezelvlakten, uitgedroogde rivierbeddingen, zoutpannen en chotts (zoutmeer dat het grootste deel van het jaar droogligt), lage duinen met verspreide struiken, en in Azië ook steppen en stenige hoogvlakten tot 3500 meter. Hij hoeft geen rotswand te hebben en broedt in een holletje onder een struikpol, in een knaagdiergang of onder een steen. In de winter staat hij op vlakke, kale zandgrond met wat pollen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Twee ver uiteenliggende delen. De westelijke vogels broeden in Noord-Afrika, van de Maghreb en de Westelijke Sahara door de noordelijke Sahara tot de Westelijke Woestijn ten westen van de Nijl, en zijn daar grotendeels standvogel. De oostelijke vogels broeden van Sinaï en Arabië door het Iraans Hoogland en Centraal-Azië tot op het Mongoolse plateau en in de Gobi, en trekken weg naar Noordoost-Afrika, het Arabisch Schiereiland, Mesopotamië en het noordwesten van het Indiase subcontinent. Naar Noordwest-Europa komt hij als dwaalgast, en heel karakteristiek laat in het najaar: de meeste gevallen vallen tussen half oktober en december, bijna altijd aan de kust.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Voor wie in Noord-Afrika reist: de chotts en kiezelvlakten rond de Chott el Djerid of de omgeving van Merzouga in maart, wanneer de mannetjes zingen. Voor wie thuisblijft: november en december aan de kust, op een strand, een zeedijk of een kale duinvoet. Een dwaalgast is meestal buitengewoon mak en blijft dagen op dezelfde honderd meter, dus laat hem opvliegen en kijk één keer goed naar de staart — als er geen wit in zit, ben je klaar.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort heeft een enorm areaal en een grote populatie, en woestijn en halfwoestijn staan minder onder druk dan de meeste andere leefgebieden. Plaatselijk speelt overbegrazing rond putten en nederzettingen een rol, en in Centraal-Azië het omzetten van steppe in bouwland, maar op de schaal van het hele areaal is er geen aanwijzing voor achteruitgang.
Wetenschappelijke naam
Oenanthe deserti | (Temminck, 1825)
Temminck beschreef de soort in 1825 als Saxicola deserti; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oenanthe werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Oenanthe gebruikte Aristoteles voor een vogel die niet meer thuis te brengen is; het woord komt van het Griekse oinos, oinoē 'wijn, wijnstok' en anthos 'bloem, bloei'. deserti is Latijn voor 'van de woestijn', naar het dorre leefgebied. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte.



