Alle soorten › Zangvogels › Vireo's › Roodoogvireo

Roodoogvireo | Vireo olivaceus

Red-Eyed Vireo | Vireo ojirrojo

De roodoogvireo hoort in het loofbos van Noord-Amerika, waar hij de hele zomerdag doorzingt met korte, vragende zinnetjes. In Europa is hij een najaarsdwaalgast die met westerstormen de oceaan oversteekt, en van alle Amerikaanse zangvogels is hij hier veruit de meest gemelde.

Roodoogvireo (Vireo olivaceus)
Foto: Cephas — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In het broedgebied een van de opvallendste geluiden van het bos: korte zinnetjes van twee tot vijf lettergrepen, met een pauze ertussen, alsof de vogel een vraag stelt en hem daarna zelf beantwoordt — tsjie-wiet … tsju-wiu … wiet-wiu? — soms tienduizenden keren op één dag, ook in de volle middaghitte, wanneer alle andere vogels zwijgen. In Europa zingt hij niet. Wat je hier hoogstens hoort, is een kort, nasaal en klagend tsjwee, dat een verstopte vogel in een meidoorn kan verraden.

Luister: ZangXC179656

Opname: Jonathon Jongsma — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een forse, wat traag ogende zangvogel van twaalf tot dertien centimeter, olijfgroen op rug, vleugels en staart en wit op keel, borst en buik, met een vage gele waas op de flanken en de onderstaartdekveren. Het kopstreepje maakt de vogel: een gladde grijze kruin, daaronder een brede witte wenkbrauwstreep die boven én onder door een zwarte lijn wordt begrensd, en een donkere oogstreep. De iris is bij volwassen vogels dieprood, maar op afstand of in de schaduw ziet die er gewoon donker uit; vogels van het eerste kalenderjaar — en dat zijn vrijwel alle dwaalgasten hier — hebben nog een bruine iris. De snavel is zwaar voor een vogel van dit formaat, blauwgrijs, met een klein haakje aan de punt; de poten zijn stevig en blauwgrijs. Geen vleugelstrepen.

Verwarrings­soorten

Op het eerste gezicht een fitis of een tuinfluiter, en zo wordt hij ook meestal ontdekt. Maar de fitis is kleiner en fijner, met een dunne, spitse snavel, een vage wenkbrauwstreep zonder zwarte randen en lichte poten, en de tuinfluiter is effen grijsbruin met een tekeningloos gezicht. Een spotvogel heeft wel een lichte, groenige indruk, maar mist de grijze kruin en de dubbel afgezette wenkbrauw en heeft een langere, breed aangezette snavel. De combinatie van grijze kruin, scherp begrensde witte wenkbrauw, zwaar snaveltje met haakje en die trage, hangend-hoppende manier van foerageren hoort bij geen enkele Europese soort.

Leefgebied

In Noord-Amerika een vogel van uitgestrekt loofbos met een gesloten kroondak, het liefst met grootbladige bomen als esdoorn en eik, en verder van gemengd bos, oude parken en begraafplaatsen met zwaar geboomte en van de opgaande begroeiing langs rivieren. Hij foerageert traag en methodisch hoog in het bladerdak, zoekt rupsen van blad tot blad en stapt daarbij meer dan hij vliegt; in het najaar schakelt hij over op bessen en vruchten. Het nest is een komvormig korfje, opgehangen in een gaffel van een zijtak.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt van Brits-Columbia en de boreale bosgordel tot in het oosten en zuiden van Noord-Amerika, en overwintert in het Amazonegebied van Zuid-Amerika. Die trek gaat in het najaar deels over de Atlantische kust en de open oceaan, en dat is precies waarom een depressie met harde westenwind hier vogels afzet. Van de Britse Eilanden zijn ruim honderd gevallen bekend, vrijwel jaarlijks, met een zwaartepunt op de Scilly-eilanden, in Cornwall en in Cork en Kerry. Op het Iberisch Schiereiland zijn enkele registraties bekend, in Catalonië en in het noordwesten aan de Atlantische kust, altijd in het najaar.

Hoe en wanneer kijken

Zoek in de eerste week van oktober, twee tot vier dagen na een diepe oceaandepressie, de dekking op de buitenste eilanden af: verwilderde tuinen, esdoornbosjes, vlierstruwelen en wilgenstruiken bij een kwekerij of een vuurtoren. De vogel zit vaak lang stil op één plek en verraadt zich door een langzame beweging in het blad in plaats van door geluid. Let dan eerst op de kop: grijze kruin met een scherpe witte wenkbrauw is genoeg; de rode iris komt er pas bij als de vogel goed in het licht draait.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en een van de talrijkste zangvogels van het Noord-Amerikaanse loofbos, met een grote en tamelijk stabiele stand. Verlies van bos in het overwinteringsgebied en botsingen met verlichte gebouwen tijdens de nachtelijke trek zijn de bekendste knelpunten. Het aantal Europese gevallen zegt niets over die stand: dat volgt vooral het weer boven de Atlantische Oceaan, en de vogels die hier landen komen op eigen kracht.

Wetenschappelijke naam

Vireo olivaceus | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Muscicapa olivacea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Vireo werd in 1808 ingevoerd door Vieillot. Vireo werd door Latijnse schrijvers gebruikt voor een kleine, groene trekvogel, waarschijnlijk de wielewaal; ook de groenling is voorgesteld. olivaceus is Latijn voor 'olijfgroen', van oliva 'olijf', naar de groenige bovendelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Yungas in Bolivia.