Alle soorten › Steltloperachtigen › Jagers › Grote jager
Grote jager | Stercorarius skua
Great Skua | Págalo grande
De grote jager heeft het formaat van een zilvermeeuw maar de bouw en het gedrag van een roofvogel: breed van vleugel, kort van staart en zwaar van kop. Hij dwingt jan-van-genten hun vangst af te staan en doodt zo nodig alken, meeuwen en jonge zeevogels.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
Buiten de kolonie zwijgzaam: langs de kust hoor je hem niet, ook niet als hij vlak langs vliegt. Op de broedplaatsen op de Britse Eilanden, IJsland en de Faeröer klinkt een hees, blaffend uk-uk-uk bij het aanvallen van wandelaars, en tijdens de vleugelheffende dreighouding een lang, schor gekrijs. Wie in juni over Hermaness of Foula loopt, krijgt roep en vogel tegelijk over zich heen.
Opname: Stein Ø. Nilsen — CC BY-NC-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Kolossaal en compact, met brede vleugels, een korte wigvormige staart en een dikke, zwarte haaksnavel op een zware kop. Het verenkleed is geheel donkerbruin met warme roodbruine en gouden strepen op mantel, dekveren en nek, waardoor de vogel op korte afstand gestreept oogt; op zee is hij simpelweg donker. Beslissend in vlucht is de grote, felwitte vlek aan de basis van de handpennen, boven én onder de vleugel — veel groter en helderder dan bij welke andere jager ook. De centrale staartpennen zijn nauwelijks verlengd en steken hooguit een centimeter uit, dus wie op staartpennen let, komt hier bedrogen uit. Juvenielen zijn egaler en kouder bruin met minder streping, een donkerder kop en een blauwgrijze snavelbasis.
Verwarringssoorten
Middelste jager is slanker, met een langere hand, bij de meeste vogels lichte onderdelen en een veel smallere witte vleugelvlek; zijn vorm doet aan een grote meeuw denken, de grote jager eerder aan een buizerd op zee. Kleine en kleinste jager zijn duidelijk kleiner, fijner en lichter van vlucht. Een donkere juveniele grote mantelmeeuw kan op afstand verwarren, maar mist de witte handpenvlek en heeft een veel langere staart en een lichte snavelbasis. De zuidelijke verwanten uit de subantarctische wateren zijn in Europa niet te verwachten.
Leefgebied
Broedt in losse kolonies op kustheide en toendra van de Britse Eilanden, de Faeröer, IJsland, Scandinavië en Spitsbergen, meestal in de buurt van grote zeevogelkolonies. De rest van het jaar is hij pelagisch en concentreert hij zich boven ondiepe visgronden en achter trawlers. Zijn menu bestaat uit gestolen vis, aas, visserijafval en zelfgevangen zeevogels tot de grootte van een jan-van-gent; in de broedtijd zijn kolonies van alken en stormvogeltjes een vaste voedselbron.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
De wereldpopulatie broedt vrijwel volledig in de Noord-Atlantische Oceaan, met het zwaartepunt op de Britse Eilanden en IJsland en verder op de Faeröer en in Scandinavië. Langs de Noordzee en het Kanaal doortrekker en wintergast: de eerste vogels verschijnen in juli, de piek ligt van half september tot half november, en enkele honderden overwinteren op de zuidelijke Noordzee, onder meer boven de Bruine Bank. Voor de Atlantische kust van Iberië en in de Golf van Biskaje in najaar en winter, in kleinere aantallen tot in de Middellandse Zee.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zeetrek bij noordwestenwind kracht 6 of meer in oktober geeft de grootste kans; grote jagers komen vaak dichter onder de kust dan de andere soorten en vliegen laag en zwaar boven de golven. Let op onrust ver op zee: een jan-van-gent die plotseling steil naar beneden gaat met een bruine vogel erachteraan is vrijwel altijd deze soort. Buiten stormdagen levert in de winter een boottocht naar de ondiepe banken van de zuidelijke Noordzee betrouwbaar waarnemingen op.
Staat van instandhouding
Wereldwijd nog niet bedreigd (LC), maar de soort kreeg in 2022 een zware klap van hoogpathogene vogelgriep: in de kolonies op de Britse Eilanden stierven duizenden vogels en tellingen daarna lieten afnames van de helft tot ruim driekwart zien. Daarnaast drukken minder visserijafval en concurrentie om zandspiering op het broedsucces. Omdat vrijwel de hele wereldpopulatie in een handvol Noord-Atlantische kolonies broedt, is de soort ondanks de gunstige mondiale status kwetsbaar.
Wetenschappelijke naam
Stercorarius skua | (Brünnich, 1764)
Brünnich beschreef de soort in 1764 als Catharacta skua; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Stercorarius werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Stercorarius is Latijn voor 'van de mest', van stercus 'mest': het voedsel dat opgejaagde zeevogels uitbraakten werd vroeger voor uitwerpselen aangezien. skua komt uit het Faeröers, waar skúgvur deze vogel aanduidt; het eiland Skúvoy is om zijn kolonie befaamd. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Faeröer en IJsland.


