Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Boomleeuwerik
Boomleeuwerik | Lullula arborea
Wood Lark | Totovía
De kleinste leeuwerik van Europa, met een opvallend korte staart en een kenmerkende zang: een dalende, weemoedige reeks fluittonen die in de schemering boven een heideveld blijft hangen en kilometers ver draagt.
Geluid
De zang is een dalende reeks heldere, melancholieke fluittonen: lu-lu-lu-lu-lu, eerst traag, dan versnellend en in toonhoogte zakkend, afgewisseld met een rollend tloe-i-tloe-i-tloe-i en zachte, klagende didloe-motieven die wegsterven. Hij zingt in een wijde, cirkelende zangvlucht die tot honderd meter hoog gaat, of vanaf een boomtop of paal, vaak in de avondschemering en op heldere maannachten. Het seizoen loopt van eind januari tot in juni, met de piek in maart. De roep, meestal van overtrekkende vogels in oktober, is een zacht, nasaal golvend tit-loe-iet.
Opname: British Library — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Klein en compact, met een staart die zo kort is dat de vogel in vlucht bijna afgeknot lijkt, en met brede, ronde vleugels. De lange, roomwitte wenkbrauwstreep loopt tot in de nek door en komt daar bijna samen met die van de andere zijde, zodat er een lichte V achter op de kop ontstaat. Op de vleugelboeg zit een klein maar beslissend zwart-wit blokje op de handdekveren. Bovendelen warm bruin en fijn gestreept, borst roomkleurig met scherpe donkere streepjes; het kuifje wordt alleen bij opwinding opgezet. In vlucht: geen witte buitenste staartveren — alleen kleine witte hoekjes aan de staartpunt — en geen witte achterrand aan de vleugel.
Verwarringssoorten
Veldleeuwerik is groter, veel langer van staart, heeft opvallend witte buitenste staartveren en een witte achterrand aan de vleugel, en zingt jubelend tijdens een minutenlange zangvlucht hoog in de lucht in plaats van dalend te fluiten. Kuifleeuwerik is grover en zandkleuriger, met een echte spitse kuif, okerkleurige staartzijden en een langere snavel. Graspieper en duinpieper zijn slanker, hebben een dunne pieperssnavel en missen het zwart-witte blokje op de vleugelboeg.
Leefgebied
Warme, droge, schrale bodems met een mozaïek van kaal zand, kort gras en verspreide bomen: heidevelden, stuifzandranden, jonge dennenaanplant, kapvlakten, brandgangen, militaire oefenterreinen en boswallen. In Zuid-Europa ook kurkeikendehesa's, wijngaardranden, olijfgaarden en berghellingen met lage struiken. Het nest ligt op de grond; kale plekjes om te foerageren en een opgaande zangpost zijn allebei nodig.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van Iberië en Noord-Afrika oostwaarts tot de Oeral en Anatolië. In Noordwest- en Midden-Europa broedvogel van de zandgronden — heide, stuifzand en duinen, zoals de Veluwe, Drenthe en de Brabantse en Limburgse heide — met een populatie die sinds de jaren tachtig fors is gegroeid. De meeste noordelijke vogels trekken in oktober naar Zuidwest-Europa en keren al in februari terug; een handjevol overwintert. In het Middellandse Zeegebied is hij standvogel, in Iberië vrijwel overal, van dehesa (Iberisch parklandschap van oude eiken boven begraasd grasland) tot bergrand, en in de winter komen daar Noord-Europese vogels bij, waardoor hij er een van de gewoonste vogels van het open mediterrane landschap is.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Eind februari of begin maart, een half uur voor zonsopgang, op een heideveld of stuifzand in Noordwest- of Midden-Europa, of in een Castiliaanse dehesa bij ijzige mist, bij windstil en licht vriezend weer: de zang draagt dan kilometers ver en de vogel begint vaak nog in het donker. De avondschemering in april is de tweede kans. Overdag zoek je hem op kale plekken langs brandgangen, waar hij muisstil wegloopt in plaats van op te vliegen; let dan op de korte staart en het zwart-witte blokje op de vleugelboeg.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) en in West- en Midden-Europa sinds de jaren negentig duidelijk toegenomen, dankzij heideherstel, kapvlaktes, bosverjonging en zachtere winters, na een diep dal door schaalvergroting en het dichtgroeien van heide. Strenge winters kunnen de populatie in één klap halveren. Knelpunten zijn het dichtgroeien van open zand door stikstofdepositie, verstoring van grondnesten door loslopende honden en recreatie, en het verdwijnen van het kleinschalige mozaïek van bos en open zand.
Wetenschappelijke naam
Lullula arborea | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Alauda arborea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Lullula werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Lullula is een klanknabootsing van de zang, naar het Franse lulu waarmee Buffon de vogel aanduidde. arborea komt van het Latijnse arbor 'boom', naar de bomen van waaruit de vogel opstijgt om te zingen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.




