Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Zilverplevier
Zilverplevier | Pluvialis squatarola
Black-bellied Plover | Chorlito gris
De zilverplevier is de grootste plevier van het gidsgebied en de enige met gitzwarte oksels — een kenmerk dat pas opengaat als de vogel opvliegt, en dan geen twijfel meer laat. Hij broedt op de kale toendra van de hoge Arctis en staat de rest van het jaar op de wadplaten van vrijwel elke kust ter wereld.
Geluid
De roep is een helder, ver dragend, klaaglijk fluitje van drie tonen, plie-oe-wie, met de middelste toon het laagst; over een leeg wad verraadt het de soort lang voordat je hem ziet. Hij roept vooral in de vlucht en bij onraad, en één vogel die opgaat neemt zo de hele plaat mee de lucht in. Op de broedgronden laat het mannetje in een trage baltsvlucht met stijve, ondiepe vleugelslagen een langgerekt, jengelend pie-oe-wie … pie-oe-wie horen, dat minutenlang wordt volgehouden. Bij het nest klinkt een korter en harder kliep, dat bij herhaling in tempo oploopt.
Opname: Teet Sirotkin — CC BY-NC-SA 4.0 · Skvallerhamnsudden, Arholma, Sweden · xeno-canto
Herkenning
In zomerkleed is de onderzijde van gezicht tot buik gitzwart, scherp begrensd door een brede witte band die van het voorhoofd over de zijhals tot op de flank loopt; de bovenzijde is zilvergrijs met wit gespikkeld, zonder enig goud. Het vrouwtje heeft doorgaans minder zuiver zwart, met witte veertjes door de donkere delen heen, en jonge vogels zijn grijsbruin met een fijn gestippelde rug en een vaag gestreepte borst. In winterkleed is hij effen grijsbruin van boven en vuilwit van onder, met een lichte wenkbrauwstreep en een donkere vlek achter het oog. Hij is fors gebouwd, met een grote kop en een korte, zware, zwarte snavel die duidelijk dikker is dan die van de goudplevieren. In de vlucht springen drie dingen tegelijk in het oog: de witte stuit, de witte streep over de vleugel en de zwarte veren onder de vleugelbocht.
Verwarringssoorten
De drie goudplevieren zijn kleiner en fijner van snavel, missen de witte stuit en de vleugelstreep en hebben grijswitte of witte in plaats van zwarte oksels — bij een opvliegende vogel is dat in één blik beslist. In zomerkleed heeft de zilverplevier geen spoor van goud op de rug, terwijl Pluvialis dominica, P. fulva en P. apricaria alle drie geel tot goudgeel zijn gespikkeld. In winterkleed is hij grijzer, forser en zwaarder van snavel dan alle drie, en zijn borst is bleker en vlekkeriger gestreept. Jonge zilverplevieren zijn in hun eerste najaar het sterkst goudgetint; de dikke snavel, de witte stuit en de driedelige roep houden ook dan stand.
Leefgebied
Broedt op droge, stenige of korstmosrijke toendra, vaak op wat hogere ruggen boven de laaglandmeren, waar het uitzicht rondom vrij is. Buiten de broedtijd is hij een vogel van het open getijdengebied: slikplaten, zandstranden, kwelderranden en de modder van estuaria en lagunes. Hij mijdt begroeide oevers en beschutte kreken; wat hij nodig heeft is een wijde, kale vlakte waarover hij kan uitkijken, want hij jaagt op het oog en niet op de tast. Op doortrek staat hij ook wel op geploegd land en kortgegraasde weiden in het binnenland, maar zelden lang achtereen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedvogel van de kustvlakten van Noord- en West-Alaska en van de Canadese Arctis, oostwaarts tot Baffineiland; in Groenland broedt hij niet. De Noord-Amerikaanse vogels overwinteren langs beide kusten, van Washington en Massachusetts zuidwaarts door Mexico, Midden-Amerika en het Caraïbisch gebied tot ver in Zuid-Amerika, en op doortrek is hij in vrijwel elke staat en provincie te vinden, ook diep in het binnenland. Volwassen vogels vertrekken eerder dan de jongen: de eerste keren al in juli van de toendra terug, terwijl jonge vogels tot in oktober doorkomen. Een deel van de eenjarige vogels blijft de eerste zomer in het overwinteringsgebied hangen, zodat er ook in juni zilverplevieren op de wadplaten staan.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Wacht bij een groep grijze steltlopers op het wad tot ze uit zichzelf opvliegen: op dat ogenblik verraadt de zilverplevier zich met een zwarte vlek onder de vleugelbocht en een witte stuit, en zijn de goudplevieren in dezelfde beweging afgevallen. Kijk het liefst rond hoogwater, wanneer de platen onderlopen en de vogels naar hun rustplaats moeten. Wie op geluid werkt, hoeft niet eens te kijken: het drietonige fluitje draagt over honderden meters open wad.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie wordt op enkele honderdduizenden vogels geschat en loopt in vrijwel alle trekbanen terug; op grond daarvan is de soort bij de herbeoordeling van 2024 van niet bedreigd naar kwetsbaar (VU) gezet. Aan de Amerikaanse Pacifische kust zijn de tellingen op sommige plaatsen over dertig jaar met tientallen procenten gedaald. De oorzaken liggen vooral op de trekpleisters en in de overwinteringsgebieden: inpoldering en bebouwing van getijdengebied, verstoring op stranden en jacht langs de Aziatische kusten. Op de broedgronden speelt de lemmingstand mee, doordat vossen in slechte lemmingjaren op steltlopernesten overgaan.
Wetenschappelijke naam
Pluvialis squatarola | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 in de tiende editie van Systema Naturae als Tringa squatarola, bij de ruiters; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pluvialis werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Pluvialis is Latijn voor 'van de regen', van pluvia, 'regen' — een oude naam voor de plevieren, waarvan werd gezegd dat ze bij regenweer in troepen bijeenkwamen. squatarola komt uit het Venetiaans, waar sgatarola de naam was voor een plevierachtige vogel; Aldrovandi nam het woord in 1603 in de vogelkunde op. Als vindplaats gaf Linnaeus ruim 'Europa'; de typelocatie is later beperkt tot Zweden.




