Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Goudplevier

Goudplevier | Pluvialis apricaria

European Golden-Plover | Chorlito dorado europeo

De goudplevier is een Europese vogel die in het gidsgebied maar op twee plaatsen thuishoort: in klein aantal als broedvogel in Groenland, en in sommige voorjaren op Newfoundland, waar hij soms met tientallen tegelijk uit de lucht komt vallen. Van de vier plevieren van zijn geslacht is hij de forsste, en de enige met sneeuwwitte oksels.

Goudplevier (Pluvialis apricaria)
Foto: Goldregenpfeifer — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is één enkele, weemoedige fluittoon, tluu, zacht van klank en aan het eind licht dalend — waar de Amerikaanse en de Aziatische goudplevier er twee of drie gebruiken, houdt hij het bij één. Op de broedgronden zingt het mannetje in een trage baltsvlucht met stijve, ondiepe vleugelslagen een klagend per-pie-oe, dat over open veen ver draagt. Troepen op akkers en weiden zijn buiten de broedtijd meestal zwijgzaam en laten zich pas bij het opvliegen horen. Dwaalgasten in Noord-Amerika roepen zelden; wie er een vindt, vindt hem op uiterlijk en niet op geluid.

Luister: VluchtroepXC1168548

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Soppavann, Finland · xeno-canto

Herkenning

In zomerkleed zijn gezicht, keel, borst en buik zwart, maar dat zwart is smaller dan bij de andere goudplevieren en aan weerszijden breed wit omzoomd; de flanken, de onderbuik en de veren onder de staart blijven wit. De bovenzijde is dicht bezaaid met heldergele en goudgele vlekjes op zwartbruin, gelijkmatiger van tekening dan bij de verwanten. Het vrouwtje heeft minder en onregelmatiger zwart, vaak met witte veren doorschoten; jonge vogels en wintervogels zijn goudbruin van boven en geelbruin gestreept op borst en flanken. Hij is compact en dikhalzig, met een korte snavel en korte poten, en de vleugelpunten steken nauwelijks voorbij het staarteind uit. In de vlucht zijn de oksels en de veren onder de vleugel zuiver wit — geen andere plevier van het gebied heeft dat.

Verwarrings­soorten

Doorslaggevend zijn de oksels: wit bij de goudplevier, grijswit bij de Amerikaanse goudplevier (Pluvialis dominica) en de Aziatische goudplevier (P. fulva), zwart bij de zilverplevier (P. squatarola). In zomerkleed houdt de goudplevier witte flanken en een witte onderbuik, terwijl P. dominica tot onder de staart zwart is en P. fulva daar wit met zwarte vlekken is. In winterkleed is hij geler en voller van vorm dan beide, met kortere vleugelpunten en kortere poten; P. dominica is dan grauwgrijs met een bleke wenkbrauw en een donkere kruin, P. fulva warm goudbruin en duidelijk langpotiger. De zilverplevier is groter, grijzer en zwaarder van snavel en toont in de vlucht een witte stuit en een witte vleugelstreep, die de goudplevieren alle drie missen.

Leefgebied

Broedt op open, laag begroeid land in het noorden: uitgestrekt hoogveen, korstmostoendra en kaal hoogland, waar de grond vlak ligt en de begroeiing niet boven de enkel komt. Buiten de broedtijd is hij een vogel van grasland en akker — kortgegraasde weiden, geploegd land, stoppelvelden en ondergelopen weilanden — waar hij in grote, dichte troepen staat, vaak samen met kieviten. De kust zoekt hij pas op als het binnenland dichtvriest. Dwaalgasten in Noord-Amerika staan bijna altijd op korte kustweiden, vliegveldgras of kale heide bij de zee.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Zijn broedgebied loopt van Groenland en IJsland over Scandinavië en Noord-Rusland tot het Taimyr-schiereiland, met verspreide restpopulaties op de heidevelden van Ierland, Groot-Brittannië en Denemarken; de winter brengt hij door in West- en Zuid-Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten. In het gidsgebied broedt hij alleen in Groenland, in klein aantal. Op Newfoundland verschijnt hij in sommige voorjaren in april en mei, soms met tientallen tegelijk, wanneer aanhoudende noordoostenwind de trek van IJsland naar Europa over de Atlantische Oceaan verlegt; verder westelijk in oostelijk Canada zijn er enkele voorjaarsgevallen, en uit de nazomer en de herfst bestaan verspreide waarnemingen tot in het noordoosten van de Verenigde Staten. Aan de zuidrand van het areaal, op de laagveengebieden van Noordwest-Europa, is hij in de twintigste eeuw sterk teruggelopen.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem op Newfoundland in de laatste week van april en de eerste helft van mei, na een aanhoudende noordoostenwind over de Atlantische Oceaan, op korte kustweiden en vliegveldgras. Loop zulke velden met de telescoop af op houding en kleur: een goudplevier staat compacter en korter op de poten dan de Amerikaanse goudplevieren waarmee hij op hetzelfde veld kan staan. Wacht dan tot de troep uit zichzelf opvliegt — de witte oksel is de waarneming die de zaak sluit, en die krijg je op de grond niet te zien.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie telt meer dan een miljoen vogels en geldt als niet bedreigd (LC); IJsland alleen al herbergt naar schatting een derde daarvan. Aan de zuidrand van het areaal is het beeld anders: op de venen en heidevelden van Groot-Brittannië, Denemarken, Duitsland, Polen en Zuid-Zweden is de soort afgenomen of verdwenen, door ontwatering, bebossing en omzetting van heide in landbouwgrond. Voor het gidsgebied zelf is hij te schaars om er een trend uit af te lezen; het handvol Groenlandse broedparen wordt niet jaarlijks geteld.

Wetenschappelijke naam

Pluvialis apricaria | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 in de tiende editie van Systema Naturae als Charadrius apricarius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pluvialis werd in 1760 ingevoerd door Brisson en is Latijn voor 'van de regen', van pluvia. apricarius betekent 'die zich in de zon koestert', van apricari, 'zonnen', bij apricus, 'zonnig' — een verwijzing naar de goudglans van het verenkleed. Linnaeus gaf als vindplaats 'Oelandia, Canada', een dubbelzinnige opgave die op een tekening van Rudbeck berustte. De typelocatie is later beperkt tot Lapland.