Alle soorten › Pelikaanachtigen › Ibissen en lepelaars › Witte ibis
Witte ibis | Eudocimus albus
White Ibis | Ibis blanco
De witte ibis is de talrijkste ibis van de zuidoostelijke kustvlakte: geheel wit, met een lange, omlaag gebogen rode snavel, rode poten en zwarte punten aan de vleugels die alleen in de vlucht te zien zijn. Hij zoekt zijn voedsel op de tast, in groepen die zich over ondiep water, zoutmoeras en gemaaid gras verspreiden. Tegen de avond vliegt hij in lange linten naar gezamenlijke slaapplaatsen, vaak met honderden tegelijk.
Geluid
Een foeragerende groep is bijna stil; wat je hoort is hooguit een zacht, nasaal hunk waarmee de vogels elkaar op de grond bijhouden. In de vlucht en bij de slaapplaats wordt dat luider en sneller, een reeks hunk-hunk-hunk die klinkt alsof er door de neus wordt gepraat. In de kolonie houdt dat gegrom de hele dag aan, en de jongen bedelen daar bovenuit met een hoog, schril gepiep. Ver van een kolonie of een slaapplaats hoor je de soort zelden.
Opname: Daniel Parker — CC BY-NC-SA 4.0 · Shark Valley, Everglades National Park, Miami-Dade County, Florida, United States · xeno-canto
Herkenning
Volwassen vogels zijn geheel wit met zwarte punten aan de buitenste vier handpennen; op de zittende vogel blijven die meestal onder de vleugel verborgen en pas in de vlucht vormen ze vier zwarte vlekken aan het uiteinde. Het kale gezicht, de snavel en de poten zijn roze tot rood en kleuren in de broedtijd scharlaken; bij het mannetje zwelt dan ook een zak onder de keel op. Man en vrouw zijn gelijk getekend, maar het mannetje is groter en heeft een merkbaar langere en zwaardere snavel. Jonge vogels zijn donkerbruin op kop, hals, rug en vleugels met een scherp afgetekende witte buik en witte stuit, en zien er in hun tweede jaar bont uit doordat het wit in vlekken doorbreekt. In de vlucht steken hals en poten recht uit en wisselen snelle slagen met korte glijvluchten af; groepen vliegen in lijn of in een V, vaak laag over het water.
Verwarringssoorten
De kaalkopooievaar (Mycteria americana) is bijna twee keer zo groot, heeft zwart langs de hele achterrand van de vleugel in plaats van alleen in de punten, en draagt een kale donkergrijze kop met een zware, aan het einde gebogen snavel. Jonge rode lepelaars (Platalea ajaja) zijn ook overwegend wit met wat roze, maar hun snavel loopt uit in een platte lepel en is recht in plaats van gebogen. Jonge witte ibissen worden op hun beurt voor de koerlan aangezien: die is groter, donkerbruin met witte druppels over het hele lijf, en mist de scherp afgetekende witte buik. Wie twijfelt, wacht tot de vogel opvliegt — vier zwarte vleugelpunten op een verder geheel witte vogel beslissen de zaak.
Leefgebied
Ondiep zoet en brak water met een zachte bodem: zoetwatermoeras, kwelder, mangrove, slikplaten, sloten, greppels en de randen van vijvers. Hij vist op de tast, met de half geopende snavel door de modder, en is daarom gebonden aan water waarin hij kan waden — een handbreedte diep is genoeg, kniediep is al te veel. De jongen worden gevoerd met zoetwaterprooi, vooral rivierkreeft, zodat een kolonie in de mangrove alleen slaagt als er zoet moeras binnen vliegbereik ligt. In Florida en langs de Golfkust loopt hij daarnaast over gazons, golfbanen en stadsparken, waar hij in het gras naar emelten en wormen prikt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel van de kustvlakte, van North Carolina en Virginia zuidwaarts langs de Atlantische kust en de Golf tot in Texas, langs beide kusten van Mexico, door Midden-Amerika en op Cuba en de Bahama's; zuidelijker loopt het areaal door tot in Colombia, Venezuela en Peru. Trekken doet hij niet, maar hij zwerft veel: na het broeden verschijnen vogels regelmatig noordwaarts tot in Maryland en New Jersey. Binnen het areaal verschuiven de kolonies van jaar tot jaar met het water; ze staan waar een moeras op dat moment droogvalt en de prooi samendringt. In de twintigste eeuw liepen de grote kolonies van de Everglades leeg toen het water daar met kanalen en dijken werd gestuurd, en verschoof het zwaartepunt naar de kust en naar het noorden.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in het laatste uur voor zonsondergang naar een mangrove-eiland of een rij hoge bomen aan een moerasrand: dan komen de groepen van alle kanten binnen, laag over het water, en zetten ze zich met honderden tegelijk in dezelfde kruin. Overdag is de zekerste plek een pas droogvallende sloot of een verlaagde vijver, waar de vogels in een dichte rij langs de rand lopen te prikken. Let bij jonge vogels op de witte stuit: die springt in de vlucht eruit terwijl de rest van de vogel nog bruin is.
Staat van instandhouding
De Rode Lijst noemt de soort niet bedreigd (LC); de wereldpopulatie wordt op ruim een miljoen vogels geschat en het aantal in de Verenigde Staten is de laatste decennia stabiel tot toenemend. De aantallen schommelen sterk van jaar tot jaar, want een kolonie mislukt zodra het moeras op het verkeerde moment volloopt of te snel opdroogt. Het verlies aan zoetwatermoeras is daarmee de kern van de zaak: aan de kust is plek genoeg om te nestelen, maar zonder zoet water binnen vliegbereik komen de jongen niet groot.
Wetenschappelijke naam
Eudocimus albus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Scolopax alba, bij de snippen; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Eudocimus werd in 1832 ingevoerd door Wagler; die naam komt van het Griekse eudokimos, 'in goed aanzien staand'. albus is het Latijnse woord voor 'wit'. Als typelocatie geeft Linnaeus Carolina op.




