Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Willet
Willet | Tringa semipalmata
Willet | Playero Aliblanco
De willet is in rust een grote, egaal grijze steltloper, maar zodra hij opvliegt klapt er een breed zwart-witte band over de vleugel open die geen andere Amerikaanse vogel heeft. Hij bestaat in twee sterk verschillende vormen: een kleinere, donkere kustvogel van de zoutmoerassen in het oosten en een grotere, blekere vogel van de prairieplassen in het westen. Zijn naam is zijn roep, die in mei over elke kwelder en elk prairiemeer klinkt.
Geluid
De baltsroep is een luid, ritmisch pil-wil-willet, eindeloos herhaald vanuit een trage vlucht met stijve, trillende vleugelslagen over kwelder of prairie. Bij onrust volgt een hard, snel kip-kip-kip vanaf een paal of hek, en boven de indringer een aanhoudend kaay kaay. De vogels van de oostelijke kustvorm roepen hoger en sneller dan die van de westelijke binnenlandvorm, wat in gebieden waar beide voorkomen bruikbaar is. Buiten het broedseizoen is de soort veel stiller en hoor je vooral een enkele scherpe noot bij het opvliegen. De baltsroep begint in het oosten al eind april en houdt tot begin juli aan.
Opname: Ed Pandolfino — CC BY-NC-SA 4.0 · Sierrra Valley, Plumas County, California, United States · xeno-canto
Herkenning
Een grote, stevig gebouwde steltloper met een dikke, kaarsrechte donkere snavel die duidelijk langer is dan de kop, en grijsblauwe poten — bij deze familie een ongewone kleur. In winterkleed is hij vrijwel egaal grijs van boven en wit van onder, zonder tekening; in broedkleed is de bovenzijde bruingrijs met donkere vlekken en zijn hals, borst en flanken dwars gebandeerd. Man en vrouw zien er hetzelfde uit; jonge vogels lijken op de winterkleedvogels maar hebben nette lichte veerranden. Het beslissende kenmerk komt pas in de vlucht: over de zwarte vleugel loopt een brede witte band die zowel op de boven- als op de ondervleugel te zien is, met een witte stuit en een grijze staart erachter. De vleugel is breed en tamelijk rond, de staart kort en recht afgesneden.
Verwarringssoorten
In rust is de marmergrutto de eerste verwarringssoort, maar die is warm kaneelbruin, heeft een lange, licht opgewipte snavel met een roze basis en toont in de vlucht een kaneelkleurige ondervleugel zonder witte band. De grote geelpootruiter is slanker, heeft heldergele poten en een dunnere snavel, en laat in de vlucht alleen een wit stuitvlak zien. De twee vormen van de soort zelf vragen ook aandacht: de oostelijke kustvorm (subsp. semipalmata) is kleiner en compacter, warmer bruin en in broedkleed grof en dicht gebandeerd, met een kortere en dikkere snavel; de westelijke binnenlandvorm (subsp. inornata) is groter en langpotiger, bleker en grijzer, met een langere en fijnere snavel en een veel lichtere bandering. Buiten het broedseizoen is dat verschil in kleed vrijwel weg en blijven alleen bouw en snavel over.
Strandlopers, ruiters en snippen vergelijken: snavel, poten, vleugelstreep en stuit
Leefgebied
De oostelijke vogels broeden in zoutmoeras en op de begroeide delen van barrière-eilanden en zandstranden, altijd binnen bereik van het getij. De westelijke vogels broeden in kort, droog grasland en op alkalivlakten rond ondiepe prairieplassen en zoutmeren, soms honderden meters van het water. Buiten het broedseizoen staan ze allebei op slikplaten, langs de rand van kwelders, op zandstranden en op rotsige golfbrekers en pieren. Diep water en gesloten bos mijden ze; de kuikens hebben lage vegetatie nodig om in weg te kruipen en open modder om in te eten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
De westelijke vorm broedt in het binnenland van Alberta, Saskatchewan en Manitoba zuidwaarts over de noordelijke Great Plains en het Grote Bekken tot Colorado, Nevada en het noordoosten van Californië, en overwintert aan beide kusten van de Verenigde Staten en Mexico. De oostelijke vorm broedt in de zoutmoerassen van de Atlantische kust van Nova Scotia tot Florida, langs de Golf tot Texas, en op de Bahama's en de Grote Antillen; hij verlaat Noord-Amerika grotendeels en overwintert vooral aan de noordkust van Zuid-Amerika, buiten dit gidsgebied. Daardoor staan er in de zuidelijke staten in de zomer andere vogels dan in de winter, ook al lijkt de kaart er het hele jaar gevuld. In de negentiende eeuw werd de oostelijke vorm door jacht en het rapen van eieren uit een groot deel van het noordoosten weggevaagd; na het jachtverbod van 1918 keerde hij terug tot in Nova Scotia en zuidelijk Maine.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in mei bij zonsopgang naar een kwelder of een prairieplas en wacht op de baltsvlucht: een roepende willet met trillende vleugelslag laat het vleugelpatroon minutenlang zien en is dan van kilometers ver te vinden. Buiten het broedseizoen loont het om een rustende groep op te zoeken en te wachten tot ze verkassen — één vlucht geeft de zwart-witte band, en daarmee de soort. Kijk aan de kust van het zuidoosten in de winter naar snavel en poot: de langsnavelige, bleke vogels op het strand zijn dan westelijke vogels, terwijl de broedvogels van de kwelder pas in april terug zijn.
Staat van instandhouding
De soort geldt als niet bedreigd (LC), met een populatie van enkele honderdduizenden vogels, maar de aantallen zijn tussen 1966 en 2014 afgenomen en hij staat op de Amerikaanse aandachtslijst. In het oosten staat het zoutmoeras onder druk van bebouwing, aanleg van dijken en de stijgende zeespiegel, waardoor de laaggelegen nestplaatsen vaker overstromen. In het westen verdwijnen de ondiepe prairieplassen onder de ploeg en zakt de grondwaterstand in het Grote Bekken. Aan de kust van Californië komen daar botsingen met hoogspanningsdraden en de verstoring van rustplaatsen bij.
Wetenschappelijke naam
Tringa semipalmata | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Scolopax semipalmata, bij de snippen; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De beschrijving staat in het tweede deel van de dertiende uitgave van het Systema Naturae, op bladzijde 659, met New York als typelocatie. semipalmata is Latijn voor 'half met zwemvliezen', van semi- 'half' en palma 'handpalm', naar de zwemvliezen die tussen de voorste tenen tot halverwege doorlopen. De soort stond lang in een eigen geslacht Catoptrophorus en wordt nu bij Tringa gerekend, samen met de geelpootruiters. De Engelse naam is een nabootsing van de roep en is in het Nederlands overgenomen; de Spaanse naam noemt de witte vleugelband.




