Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Struikfeetiran

Struikfeetiran | Empidonax oberholseri

Dusky Flycatcher | Mosquero Oscuro

De struikfeetiran broedt in de verstruikte hellingen en bergchaparral van het westen van Noord-Amerika, meestal net onder of naast het gesloten naaldbos waarin de sparrenfeetiran zit. Hij overwintert in Mexico. Uiterlijk is hij van zijn naaste verwanten nauwelijks te scheiden; de drieledige zang en de droge roep doen dat wel.

Struikfeetiran (Empidonax oberholseri)
Foto: VJAnderson — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang duurt iets meer dan een seconde en bestaat uit drie delen: een stijgend prl-it, een schor prrdrrt en een heldere, hoge psiet. Mannetjes wisselen de volgorde van die delen voortdurend, maar die hoge slotnoot is het houvast: bij de sparrenfeetiran blijft het slot juist laag en burrig. De gewone roep is een droog, zacht maar duidelijk wit, het hele jaar door. In het broedgebied klinkt daarnaast een doe-hik, waarin de doe een zachte fluittoon is en de hik scherp omhoog schiet; ook ratels en trillers horen erbij, en geagiteerde vogels klappen hoorbaar met de snavel.

Luister: ZangXC939825

Opname: Brian Cox — CC BY-NC-SA 4.0 · Bear Canyon, Pryor Mountains, Carbon County, Montana, United States · xeno-canto

Herkenning

Grijsolijf van boven, vuilwit met een grijze borstband en een bleekgele buik van onderen, met twee witte vleugelstrepen en een smalle tot middelbrede witte oogring. De staart is betrekkelijk lang, de handpenprojectie kort. De snavel is middellang, met een oranjegele basis aan de ondersnavel en een donkere punt. Hij wipt vleugels en staart omhoog, zit meestal laag en vliegt van een uitkijkpost in het struweel naar een insect. Ook hier geldt: uiterlijke kenmerken schuiven per individu en per slijtagestadium, en alleen de stem geeft een determinatie waarop je kunt bouwen.

Verwarrings­soorten

Tegenover de sparrenfeetiran is de slotnoot van de zang beslissend: hier een heldere, hoge psiet, daar een lage, burrige noot; de roep is hier een droog wit, daar een scherp, hoog piek. Aanvullend: kortere handpenprojectie, langere staart, snavel met oranje basis, en een leefgebied van struiklaag en open hellingen in plaats van de kroon van hoog naaldbos. Tegenover de alsemfeetiran, het meest gelijkende paar van allemaal, geeft de staartbeweging de doorslag: die soort laat de staart langzaam naar beneden zakken zoals een phoebe, de struikfeetiran wipt hem omhoog; de zang is daar tweedelig tsjoe-wip … tsjiep tegen hier drie delen, en de snavel is daar langer met een scherp afgesneden donkere punt. Habitat scheidt ze verder: sagebrush (grijsgroen alsemstruweel van het droge westelijke binnenland) en jeneverbes tegen bergstruweel en ratelpopulier. De kleine feetiran zingt tsje-BEK, snel herhaald, en heeft een bredere, rondere oogring en een kortere staart. De blonde feetiran zingt tsjie-lik en heeft een roomkleurige borst.

Leefgebied

Open, verstruikt terrein in de bergen: struweelvelden, bergchaparral, bosjes van ratelpopulier, wilgenstroken langs beken en verstruikte randen van naaldbos, tot ongeveer 3000 meter. Brandvlaktes, kapvlaktes en leidingstroken worden snel bezet, zolang er struiken met enkele hogere bomen staan. Op trek gebruikt hij woestijnstruweel en beekbegeleidend bos. In de winter zit hij in eikenstruweel en dennen-eikenbos van de Mexicaanse hooglanden en in het struweel van de westelijke laaglanden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij broedt van Yukon en Brits-Columbia zuidwaarts door de bergen van Washington, Oregon, Idaho, Montana en Wyoming tot in Californië, Nevada, Utah, Colorado, de Black Hills van South Dakota en de bergen van Arizona en New Mexico. De voorjaarstrek loopt later en de najaarstrek vroeger dan bij de sparrenfeetiran. Overwinteren doet hij vrijwel geheel in Mexico, van Sonora en Neder-Californië Sur zuidwaarts tot Oaxaca, met kleine aantallen in het uiterste zuiden van Arizona.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop in juni langs de overgang van naaldbos naar struweel, bijvoorbeeld op een oude brandvlakte: daar zingt hij vanaf een struiktop op ooghoogte, terwijl de sparrenfeetiran in het bos erachter hoog in de kroon zit. Buiten het broedseizoen geeft het droge wit je hooguit de helft van het antwoord — noteer dan ook de staartbeweging en het habitat, en laat een zwijgende vogel gerust onbenoemd.

Staat van instandhouding

De soort is niet bedreigd (LC). Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldpopulatie op ongeveer 8,8 miljoen vogels en geeft de soort 11 van de 20 punten op de Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20). De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) liet tussen 1968 en 2015 een ongeveer stabiel beeld zien. Hij profiteert van kap en brand die struweel opleveren; hij neemt af waar struweel wordt begraasd, tot akkerland wordt omgezet of waar beeklopen worden vastgelegd.

Wetenschappelijke naam

Empidonax oberholseri | Phillips, 1939

Phillips beschreef de soort in 1939 als Empidonax oberholseri, naar materiaal van Hart Prairie op de San Francisco Mountain in Arizona; de naam eert de Amerikaanse ornitholoog Harry C. Oberholser. Een nieuwe naam was nodig omdat de oudere naam wrightii lange tijd op deze vogel werd toegepast, terwijl het typemateriaal daarvan bij de alsemfeetiran bleek te horen. Het geslacht Empidonax werd in 1855 ingevoerd door Cabanis, uit het Grieks empis, empidos 'mug' en anax 'heerser'. De Nederlandse naam verwijst naar het struweel waarin hij broedt.