Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Rosse Grutto
Rosse Grutto | Limosa lapponica
Bar-tailed Godwit | Aguja colipinta
De rosse grutto van Alaska maakt de langste ononderbroken vlucht van alle vogels: van de kust van West-Alaska in één keer over de Grote Oceaan naar Nieuw-Zeeland of Australië. Een jonge vogel legde op die manier in oktober 2022 in elf dagen 13.560 kilometer af, zonder één keer te landen. In het broedkleed is het mannetje van kop tot onderstaartdekveren baksteenrood.
Geluid
De gewone roep is een hard, nasaal kew-kew of ke-wee, meestal twee- of drielettergrepig en zonder de heldere klank van de grutto. Grote groepen die opvliegen laten een dof geroezemoes van diezelfde tonen horen. Boven de toendra voert het mannetje een hoge baltsvlucht uit met een aanhoudend, jodelend a-wik a-wik a-wik dat over grote afstand hoorbaar is. Op de wadplaten in de nazomer is de soort grotendeels stil; wat je dan hoort is een kort, laag koek tussen het foerageren door.
Opname: Lionel Triboulin — CC0 · Moulin des Prés (near Le Mesnil-Esnard), Seine-Maritime, Normandie, France · xeno-canto
Herkenning
Een middelgrote grutto met korte poten en een lange, licht opgewipte snavel, die buiten de broedtijd roze is aan de basis en zwart aan de punt. Het mannetje is in broedkleed van gezicht tot onderstaartdekveren egaal baksteenrood, met een donker gevlekte bovenzijde; het vrouwtje is duidelijk groter en langer van snavel en blijft licht okerkleurig, met een witachtige, fijn gebandeerde buik. Buiten de broedtijd zijn beide grijsbruin, van boven met donkere schachtstrepen die de vogel een gestreept aanzien geven, van onderen wit. De staart is fijn dwars gebandeerd en er is geen witte streep over de vleugel. De vogels van Alaska hebben een gebandeerde stuit en een bruine, gebandeerde ondervleugel; de Europese vorm heeft daar wit, en dat is bij een dwaalgast aan de oostkust het verschil dat telt.
Verwarringssoorten
De rode grutto (Limosa haemastica) is even groot maar heeft een zwarte staart met een witte basis, een smalle witte vleugelstreep en een zwarte ondervleugel; in de vlucht is er geen twijfel mogelijk. De marmergrutto (L. fedoa) is groter en warm kaneelbruin in alle kleden, met kaneelkleurige ondervleugels. De grutto (L. limosa) heeft een kaarsrechte snavel, langere poten, een brede witte vleugelstreep en een scherp afgesneden zwarte staartband. Bij een zittende vogel zijn de fijne dwarsbandering van de staart en het ontbreken van een duidelijke vleugelstreep het houvast.
Strandlopers, ruiters en snippen vergelijken: snavel, poten, vleugelstreep en stuit
Leefgebied
Broedt op laaggelegen toendra vlak achter de kust: natte zeggelaagten, veenachtige vlakten en glooiende heuvels met dwergberk en dwergwilg, meestal binnen enkele tientallen kilometers van zee. Zodra de jongen vliegen verhuizen de vogels naar de wadplaten en zandbanken van de riviermondingen, waar ze in de nazomer met duizenden bijeenkomen om vet te leggen. In het doortrek- en wintergebied is het beeld overal hetzelfde: uitgestrekte, kale slik- en zandplaten die bij eb droogvallen, met een hoogwatervluchtplaats op een strand of kwelder ernaast. Rotskusten, binnenwateren en beboste streken gebruikt hij niet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt van Noord-Scandinavië oostwaarts door Siberië en, in dit werelddeel, in West- en Noord-Alaska: van de delta van de Yukon en de Kuskokwim tot het Seward-schiereiland en de noordhelling. De Alaska-vogels verzamelen zich in augustus en september op de wadden van die delta en van het schiereiland van Alaska en vertrekken vandaar in één vlucht over de Grote Oceaan naar Nieuw-Zeeland en Oost-Australië. De terugweg in het voorjaar loopt niet over open zee maar langs de Gele Zee, zodat de jaarlijkse reis een grote lus over de oceaan wordt. Buiten Alaska is de soort in Noord-Amerika zeldzaam: enkele vogels per jaar langs de Pacifische kust en, meestal in de nazomer, langs de Atlantische kust.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Wil je het rode broedkleed zien, ga dan in de eerste helft van juni naar de toendra bij Nome of Utqiaġvik: mannetjes zitten dan roepend op een pol en zijn van ver te zien. Voor de aantallen is eind augustus op de wadden van de Yukon-Kuskokwimdelta het moment, wanneer de vogels zo zwaar zijn gegeten dat ze moeizaam opvliegen. Verschijnt er een grutto op een slikplaat buiten Alaska, kijk dan naar de staart en de ondervleugel: een fijn gebandeerde staart zonder brede witte vleugelstreep wijst deze kant op, en een bruine gebandeerde ondervleugel hoort bij de vogels van Alaska en Siberië, een witte bij die van Europa.
Staat van instandhouding
De soort staat als gevoelig (NT) op de Rode Lijst; de wereldpopulatie wordt op ongeveer 1,1 miljoen vogels geschat en is in vijftig jaar met meer dan de helft afgenomen, al zijn de laatste jaren betrekkelijk stabiel. De Alaska-vogels hangen aan twee schakels: de wadplaten van de Yukon-Kuskokwimdelta waar ze hun vet opbouwen, en de kusten van de Gele Zee waar ze op de terugweg bijtanken. Juist die laatste zijn door inpoldering grotendeels verdwenen, en dat verklaart het grootste deel van de afname. Op de broedgronden zelf spelen verdroging en de snelle verandering van de toendra.
Wetenschappelijke naam
Limosa lapponica | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Scolopax lapponica, bij de snippen; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Limosa werd in 1760 ingevoerd door Brisson en komt van het Latijnse limus 'slijk': de modderige plaat is het leefgebied van de hele groep. lapponica betekent 'uit Lapland', en dat is ook de typelocatie die Linnaeus opgaf. De vogels van Alaska worden tot de vorm baueri gerekend, die Naumann in 1836 benoemde.




