Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › Roodneksapspecht
Roodneksapspecht | Sphyrapicus nuchalis
Red-naped Sapsucker | Chupasavia nuquirrojo
De roodneksapspecht is de sapspecht van de espenbossen in de Rocky Mountains en de bergen van het Great Basin: een zwart-witte specht met een rood voorhoofd, een rode keel, een rode nekvlek en een geelachtige buik. Hij boort rijen sapputjes in wilgen, espen en berken en houdt daarmee een hele gemeenschap van kolibries, insecten en andere vogels in leven, terwijl zijn oude nestholtes later door holenbroeders worden gebruikt. In de winter trekt hij naar het zuidwesten van de Verenigde Staten en Mexico.
Geluid
De gewone roep is een nasaal, miauwend tsjeer of mieah, dat klinkt als een klagende kat en in het broedgebied veel te horen is; bij ontmoetingen rond de sapputjes en rond het nest volgen schelle, jammerende reeksen. Het trommelen is het duidelijkste kenmerk van het geslacht: eerst een korte roffel van enkele snelle slagen, dan een paar losse, ritmische tikken die steeds verder uit elkaar vallen, als morsecode. In het voorjaar trommelt hij graag op dode takken, palen of metalen borden die ver dragen.
Opname: Richard E. Webster — CC BY-NC-SA 4.0 · Silver Creek, Cave Creek Canyon, Cochise County, Arizona, United States · xeno-canto
Herkenning
Een middelgrote specht met een zwart-wit gestreepte kop, een rood voorhoofd en een rode vlek in de nek, die soms klein is. Het mannetje heeft een geheel rode keel, waarbij het rood vaak door de zwarte omlijsting heen breekt; het vrouwtje heeft een witte kin met rood alleen onderaan de keel. Beide dragen een zwarte borstband boven een geelachtige buik met gebandeerde flanken. De rug is zwart met twee smalle rijen witte vlekken, en over de gesloten vleugel loopt de lange witte streep van alle sapspechten. Jonge vogels ruien al in augustus, voor de trek, grotendeels naar het volwassen kleed.
Verwarringssoorten
De geelbuiksapspecht van het noorden en oosten mist meestal de rode nekvlek, heeft een rug met meer witte of lichtbruine bandering, en bij het mannetje is de rode keel volledig zwart omrand; het vrouwtje heeft een geheel witte keel. Waar beide elkaar ontmoeten, in Alberta en Brits-Columbia, komen kruisingen voor. Met de roodborstsapspecht kruist hij geregeld in de Cascades en de Sierra Nevada; zulke vogels hebben meer rood op de kop. Het vrouwtje van de bergsapspecht is bruin met fijne dwarsbanden en mist de witte vleugelstreep.
Leefgebied
Gemengd bergbos met trilespen, vaak langs beken met wilgen, elzen en berken, en open ponderosadennenbos met espengroepen; ook lariksbos en kapvlaktes waar loofbomen zijn blijven staan. Hij broedt van ongeveer 300 tot 3000 meter hoogte. Voor zijn nest kiest hij bij voorkeur dikke espen die van binnen door een hartrotschimmel zijn verzwakt, zodat het hout zacht is terwijl de boom zelf nog leeft; waar espen ontbreken nestelt hij in naaldbomen. In de winter leeft hij in oeverbossen, boomgaarden, parken en tuinen in het laagland.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt van het zuiden van Brits-Columbia en het zuidwesten van Alberta zuidwaarts door de Rocky Mountains en de bergen van het Great Basin, ook in het oosten van Oregon en het noordoosten van Californië, tot in het centrum van Arizona en New Mexico. Het is een trekvogel: in de herfst verlaten vrijwel alle vogels het broedgebied. Ze overwinteren in het zuiden van Californië, Arizona, New Mexico en West-Texas en verder zuidwaarts in Mexico tot in het midden van het land. Er worden geen ondersoorten onderscheiden.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in juni en juli een espenbos met wilgen langs een beek en speur naar bomen met nette horizontale rijen verse sapputjes: vroeg of laat keert de specht terug, en vaak zitten er ook kolibries en wespen bij het sap. Een nest vind je aan het bedelende gezoem van de jongen in een dikke, levende esp. Kijk bij een onbekende sapspecht naar de nek en de keel: een rode nekvlek en rood dat door de zwarte keelrand breekt, wijzen op de roodneksapspecht.
Staat van instandhouding
De IUCN rekent de soort tot niet bedreigd (LC). Partners in Flight schat de broedpopulatie op ongeveer twee miljoen vogels, en volgens de Breeding Bird Survey bleven de aantallen tussen 1966 en 2019 stabiel. De belangrijkste bedreiging is de achteruitgang van espenbos, door kap, versnippering, begrazing door vee en het onderdrukken van bosbranden waardoor naaldbomen de espen overwoekeren. Omdat bergsialia's, boomzwaluwen, boomklevers en mezen zijn oude holtes gebruiken, heeft zijn achteruitgang ook gevolgen voor andere soorten.
Wetenschappelijke naam
Sphyrapicus nuchalis | Baird, 1858
Spencer Baird beschreef de vorm in 1858 als Sphyrapicus varius var. nuchalis, een variëteit van de geelbuiksapspecht; de typelocatie is de Mimbres River in New Mexico. Omdat de soort in het oorspronkelijke geslacht is gebleven, staan auteur en jaartal zonder haakjes. Na genetisch onderzoek van Johnson en Zink (1983) erkende de American Ornithologists' Union hem in 1985 als afzonderlijke soort. Sphyrapicus komt van het Griekse sphura 'hamer' en picus 'specht'; nuchalis is modern Latijn voor 'van de nek', naar de rode nekvlek.

