Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › Geelbuiksapspecht

Geelbuiksapspecht | Sphyrapicus varius

Yellow-bellied Sapsucker | Chupasavia norteño

De geelbuiksapspecht is de enige specht in het oosten van Noord-Amerika die vrijwel volledig wegtrekt: hij broedt in de loof- en gemengde bossen van Canada en het noordoosten van de Verenigde Staten en overwintert van het zuidoosten van de VS tot in Midden-Amerika en de Caraïben. Hij boort keurige rijen gaatjes in de bast van bomen en leeft van het sap dat daaruit opwelt en van de insecten die erop afkomen. Een zwart-witte specht met een rood voorhoofd, een lange witte vleugelstreep en een gelige waas over de buik.

Geelbuiksapspecht (Sphyrapicus varius)
Foto: dominic sherony — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De bekendste roep is een nasaal, klagend nieeah, dat aan het miauwen van een kat doet denken en vooral in het voorjaar veel klinkt. Territoriale mannetjes laten daarnaast reeksen als kwie-urk en wie-wie-wie-wie horen, en partners onderhouden contact met zachte wiek-wiek-roepjes. De roffel is kenmerkend: een korte, snelle aanzet die overgaat in een onregelmatig, stotterend ritme van losse tikken, als een morsesignaal, vaak op resonerend dood hout of op metaal.

Luister: RoffelXC1038387

Opname: Bobby Wilcox — CC BY-NC-SA 4.0 · Skinner State Park, Hampshire County, Massachusetts, United States · xeno-canto

Herkenning

Een middelgrote specht met een rode kruin en voorhoofd, zwart omrand, en een zwart-wit gestreepte kop. Het mannetje heeft een rode keel, het vrouwtje een witte, beide met een zwarte borstslab. De rug is zwart met een wit of bleek geelbruin geschubd patroon, en op de gevouwen vleugel loopt een lange witte streep die bij alle sapspechten voorkomt. De buik is bleekgeel en de flanken zijn donker gestreept. Jonge vogels zijn bruinig met een vage kopstreping en houden dat jeugdkleed, anders dan verwante soorten, tot diep in hun eerste winter.

Verwarrings­soorten

De roodneksapspecht van het westen lijkt het meest op deze soort: die heeft een rode nekvlek en bij het mannetje zoveel rood op de keel dat het door de zwarte omranding heen breekt; ook vrouwtjes hebben daar meestal rood op de keel. De roodborstsapspecht heeft een geheel rode kop en borst. Kruisingen met beide soorten komen voor waar hun gebieden elkaar raken. De haarspecht en de donsspecht hebben een witte rugstreep, geen witte vleugelstreep en geen rood op het voorhoofd. De witte vleugelstreep is het snelste kenmerk om een sapspecht als zodanig te herkennen.

Leefgebied

Jong en gemengd loofbos in het broedseizoen, vooral met espen, berken en esdoorns, en bosranden met snelgroeiende bomen waarin hij zijn sapputjes kan boren; in de Appalachen tot op flinke hoogte. Hij nestelt bij voorkeur in een levende esp of berk met kernrot, waar het mannetje het grootste deel van de holte uithakt. In de winter is hij minder kieskeurig en komt hij voor in allerlei bos, van moerasbos tot bergbos, en in parken en tuinen met geschikte bomen. Het sap bevat soms meer dan tien procent suiker.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt van het oosten van Alaska en Yukon door heel het beboste Canada tot Newfoundland, en in de Verenigde Staten in het gebied van de Grote Meren, New England en langs de Appalachen zuidwaarts tot North Carolina en Tennessee. Overwintert van het zuidoosten van de Verenigde Staten door oostelijk Mexico en Midden-Amerika tot Panama, en op de Grote Antillen. Vrouwtjes trekken gemiddeld verder zuidwaarts dan mannetjes. Er worden geen ondersoorten onderscheiden. Dwaalgasten zijn tot in IJsland, Ierland en Groot-Brittannië waargenomen.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek naar horizontale rijen kleine, regelmatige gaatjes rond de stam van levende bomen zoals berk, esdoorn en hickory: dat zijn de sapputjes van deze soort, en hij keert er telkens naar terug om ze open te houden. De robijnkeelkolibrie profiteert van dezelfde putjes, vooral vroeg in het voorjaar wanneer er nog weinig bloemen zijn, zodat een actieve sapboom beide soorten kan opleveren. In april is de stotterende roffel het beste teken dat hij in het broedgebied is aangekomen.

Staat van instandhouding

De IUCN rekent de soort tot niet bedreigd (LC). Partners in Flight schat de wereldwijde broedpopulatie op ongeveer 14 miljoen vogels, en volgens de Breeding Bird Survey namen de aantallen tussen 1966 en 2019 met bijna een procent per jaar toe, mogelijk doordat jong bos na kap en verlaten landbouwgrond goed bij zijn eisen aansluit. Zijn sapputjes zijn een voedselbron voor kolibries, andere vogels, vleermuizen en insecten, en hij geldt daarom als sleutelsoort. In boomgaarden en bij siergewassen wordt hij soms als schadelijk gezien.

Wetenschappelijke naam

Sphyrapicus varius | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Picus varius, op basis van de beschrijving en afbeelding van Mark Catesby; de typelocatie is South Carolina. Sinds de overbrenging naar Sphyrapicus staan auteur en jaartal tussen haakjes. Dat geslacht werd in 1858 door Baird ingevoerd met deze soort als typesoort; de naam komt van het Griekse sphura 'hamer' en het Latijnse picus 'specht'. varius is Latijn voor 'bont' of 'geschakeerd', naar het verenkleed. De roodneksapspecht en de roodborstsapspecht werden lang als ondersoorten van deze soort beschouwd, tot ze in de jaren tachtig als aparte soorten werden erkend.