Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Palmzanger

Palmzanger | Setophaga palmarum

Palm Warbler | Reinita palmera

De palmzanger broedt in de veenmoerassen van het boreale bos maar wordt buiten het broedseizoen vooral op de grond gezien, in bermen, akkerranden en langs het strand. Hij pompt daarbij onophoudelijk met de staart op en neer, een beweging die hem op afstand al van elke andere zanger scheidt.

Palmzanger (Setophaga palmarum)
Foto: Rhododendrites — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een vlakke, licht zoemende triller van ongeveer twee seconden, zonder duidelijk begin of einde, wat lager en losser dan die van de dennenzanger. De roep is een scherp, droog tsjek, vaak gegeven vanaf de grond of vanuit lage struiken. De vluchtroep in de nacht is een hoge, iets opgaande toon. Buiten de broedtijd wordt zelden gezongen.

Luister: ZangXC1015038

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Bécancour Regional County Municipality (near Bécancour), Centre-du-Québec, Quebec, Canada · xeno-canto

Herkenning

Een slanke, langstaartige zanger met een roodbruine kruin in broedkleed, een gele wenkbrauwstreep, een gele onderstaartdekking en roodbruine streping over de borst. De onderstaartdekking blijft het hele jaar geel, ook bij vogels die verder grijsbruin zijn — een betrouwbaar kenmerk in de herfst. Het staartpompen is vrijwel doorlopend. De oostelijke vorm hypochrysea is van keel tot staart geel; de westelijke vorm palmarum is vaalwit van onderen met alleen gele onderstaartdekking en een grijsbruine rug.

Verwarrings­soorten

De geelstuitzanger heeft een duidelijk gele stuit en gele flankvlekken en pompt niet met de staart. De prairiezanger en de louisianawaterlijster pompen wél met de staart: de prairiezanger heeft een geel gezicht met een zwarte boog onder het oog en zwarte flankstrepen, de louisianawaterlijster heeft roze poten, een gestreepte borstband en een ander leefgebied langs stromend water. Grondfoeragerende palmzangers worden ook wel voor een pieper aangezien; de gele onderstaartdekking en de korte, dunne snavel sluiten dat uit.

Leefgebied

Broedt in open veen en muskeg (drassig veenmoeras met sparren, kenmerkend voor het boreale Canada) met verspreide zwarte sparren en lariksen, met het nest op de grond in veenmos aan de voet van een boompje. Buiten de broedtijd staat hij juist in open, laag terrein: onkruidvelden, bermen, akkerranden, houtwallen, weilanden, duinen en zeewieren op het strand, en op de overwinteringseilanden in tuinen en langs palmen. Gesloten bos mijdt hij dan geheel.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt ten oosten van de continentale waterscheiding, van Noordoost-Brits-Columbia en de zuidelijke Northwest Territories door de prairieprovincies, Ontario en Quebec tot Newfoundland en de Maritieme Provincies, en zuidwaarts tot in Noord-Minnesota, Wisconsin, Michigan, Maine en New Hampshire. De trek loopt door het oosten en het midden van het continent, met een piek in april en in oktober; hij is een van de eerste zangers die in het voorjaar terugkomt. Overwintert in het zuidoosten van de Verenigde Staten, langs de Golfkust, in Florida, op de Caraïbische eilanden, op het schiereiland Yucatán en zuidwaarts tot Oost-Nicaragua. De westelijke vorm overwintert vooral langs de Atlantische kust, de oostelijke vooral langs de Golfkust.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

In oktober geeft een open berm of een kustduin de grootste kans: kijk naar de grond en niet in de boomtoppen, en zoek naar de vogel die tussen het lopen door met de staart pompt. Ziet een vogel er in de winter geheel grijsbruin uit, kijk dan van opzij of van achter naar de onderstaartdekking — die blijft geel.

Staat van instandhouding

De soort is niet bedreigd (LC); Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 13 miljoen vogels, met een score van 9 op 20 op de Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20). Tussen 1966 en 2019 bleef het aantal vrij stabiel. Het broedgebied ligt grotendeels in dunbevolkt boreaal veengebied, waar ontwatering en turfwinning plaatselijk voor verlies zorgen. Tijdens de nachtelijke trek vallen vogels bij verlichte masten en gebouwen; dat is de best gedocumenteerde sterftefactor buiten het broedgebied.

Wetenschappelijke naam

Setophaga palmarum | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Motacilla palmarum; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door William Swainson, uit het Griekse sēs, sētos 'mot' en -phagos 'etend'. De soortnaam palmarum is Latijn voor 'van de palmen' en verwijst naar de typelocatie op Hispaniola, waar het beschreven exemplaar 's winters tussen palmen werd aangetroffen; met het broedgebied in het boreale veen heeft de naam niets te maken. De Nederlandse en de Engelse naam volgen het Latijn.