Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Geelstuitzanger
Geelstuitzanger | Setophaga coronata
Yellow-rumped Warbler | Reinita coronada
De geelstuitzanger is de zanger die de herfsttrek in Noord-Amerika overspoelt: een compacte, olijfgrijze zanger met een felgele stuit die als talrijkste van zijn familie ook in de winter ten noorden van Mexico in grote aantallen blijft. Dat lukt hem doordat hij, anders dan bijna elke andere zanger, kan overschakelen op bessen zodra de insecten opraken.
Geluid
De zang is een vlot, wat monotoon trillertje van heldere tonen dat aan het eind op- of neerwaarts kan buigen, per streek verschillend genoeg dat oostelijke en westelijke vogels elkaars zang nauwelijks lijken te herkennen. De roep, een hard tsjek, is op trek en in de winter vaak het enige geluid dat verraadt hoeveel vogels er in een groep bessenstruiken zitten. Voor veel Noord-Amerikaanse vogelaars is die roep in het najaar synoniem met een gemengde zangergroep.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Isle aux Coudres, Canada · xeno-canto
Herkenning
In de zomer heeft het mannetje een blauwgrijze rug, een zwarte borstband en gele plekken op stuit, zij en kruin; het vrouwtje is valer en bruiner met dezelfde gele accenten. Er bestaan twee duidelijk te onderscheiden vormen: de oostelijke myrtezanger heeft een witte keel en een brede witte wenkbrauwstreep, de westelijke audubonzanger een gele keel en minder uitgesproken gezichtstekening. In winterkleed zijn beide vormen veel valer bruin, maar de gele stuit blijft altijd zichtbaar en is het beste kenmerk het hele jaar door. Jonge vogels zijn dof grijsbruin en gestreept, met alleen de gele stuit als vaste houvast.
Verwarringssoorten
Myrtezanger en audubonzanger worden hier als twee vormen van één soort behandeld, hoewel andere naamlijsten ze als aparte soorten voeren. Andere gele zangers, zoals de tijgerzanger in winterkleed, missen de vaste combinatie van gele stuit met gele zij; alleen bij de geelstuitzanger komen die twee kenmerken altijd samen voor. In de winter wordt hij door beginners weleens voor een gors aangezien vanwege zijn bruine, gestreepte verenkleed, maar geen enkele gors heeft een gele stuit.
Leefgebied
Broedt in naaldbos en gemengd bos, van boreaal sparren- en dennenbos tot bergbos in het westen. Buiten het broedseizoen is hij veel minder kieskeurig en gebruikt hij struweel, bosrand, tuinen en vooral kustduinen met wasbes, de bes die zijn winterse aanwezigheid zo ver mogelijk naar het noorden brengt. Open water en kaal land mijdt hij, verder is bijna elke boom- of struiklaag met voedsel geschikt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt van Alaska en het grootste deel van Canada zuidwaarts door de bergketens van het westen tot in Mexico en Midden-Amerika op grote hoogte; de oostelijke myrtevorm broedt in het noordoosten van de Verenigde Staten en heel Canada. Overwintert van de zuidelijke Verenigde Staten en de westkust tot diep in Midden-Amerika en de Cariben, en trekt daarmee minder ver dan bijna elke andere Amerikaanse zanger. In het binnenland van de Verenigde Staten is hij vooral een talrijke doortrekker, met soms grote aantallen op piekdagen in het najaar.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in het najaar een groep struiken met rijpe bessen op, vooral bij de kust, en wacht — geelstuitzangers foerageren vaak in kleine groepjes en verraden zich met de scherpe tsjek-roep voordat je ze ziet. In de winter zit deze soort in het zuiden van de Verenigde Staten in vrijwel elke gemengde zangergroep, en in zulke groepen zitten vaak ook andere, zeldzamere zangers.
Staat van instandhouding
Een van de talrijkste zangers van Noord-Amerika en stabiel in aantal; de IUCN rekent de soort tot niet bedreigd (LC). Zijn vermogen om op bessen over te schakelen maakt hem minder afhankelijk van insectenaanbod dan de meeste verwanten. Verlies van naaldbos in de broedgebieden en van kustduinen met wasbes in de winterkwartieren zijn de belangrijkste lokale bedreigingen.
Wetenschappelijke naam
Setophaga coronata | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Motacilla coronata, bij de kwikstaarten; ze is sindsdien naar een ander geslacht overgeplaatst, en daarom staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga is Grieks voor 'mottenéter', van ses, 'mot', en phagos, 'etend', en werd in 1827 ingevoerd door Swainson. coronata is Latijn voor 'gekroond', naar de gele kruinvlek die bij sommige vogels als een kroontje boven op de kop zichtbaar is. De typelocatie was aanvankelijk 'Pennsylvania' en werd in 1910 beperkt tot Philadelphia.




