Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Kokmeeuw

Kokmeeuw | Chroicocephalus ridibundus

Black-headed Gull | Gaviota reidora

De kokmeeuw is in Europa een van de allergewoonste vogels — miljoenen paren, in elke stadsvijver en achter elke ploeg — maar in Noord-Amerika is hij een zeldzame gast uit de Oude Wereld. Hij komt er in kleine aantallen overwinteren langs de noordoostkust, bijna altijd als losse vogel tussen honderden kleine kokmeeuwen. Zijn kap is niet zwart maar chocoladebruin, en dat is bij goed licht het eerste wat opvalt.

Kokmeeuw (Chroicocephalus ridibundus)
Foto: Ryan Hodnett — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De gewone roep is een hard, schrapend en klagend kree-aar, dat een beetje van een spottende lach weg heeft en waaraan hij zijn wetenschappelijke naam dankt. In een kolonie roepen duizenden vogels tegelijk en is het geluid oorverdovend; opvliegende groepen zetten een aanhoudend kwetterend gekibbel op. In Noord-Amerika hoort men hem zelden, want daar zit hij vrijwel altijd alleen en zwijgend tussen andere meeuwen. Wie hem toch hoort roepen tussen een groep kleine kokmeeuwen heeft meteen zijn antwoord: de kokmeeuw klinkt zwaarder en rauwer.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1180381

Opname: Julien Bottinelli — CC BY-NC-SA 4.0 · Mouroux, Seine-et-Marne, Île-de-France, France · xeno-canto

Herkenning

Een middelgrote, slanke meeuw met een lichtgrijze mantel, een betrekkelijk lange, dieprode snavel en rode poten. In zomerkleed draagt hij een chocoladebruine kap die niet tot in de nek doorloopt en aan de achterkant scherp eindigt, met een dun wit ooglid als enige onderbreking. Het beste kenmerk zit in de vlucht: langs de voorrand van de handvleugel loopt van boven een brede witte wig, terwijl diezelfde vleugelpunt van onderen donkergrijs tot zwart is — een tegenstelling die geen enkele andere kleine meeuw in het gebied zo laat zien. In winterkleed is de kop wit met een donkere oorvlek en een veeg boven het oog, en heeft de rode snavel een zwarte punt. Eerstejaars vogels hebben een bruine band over de vleugelbocht, een zwarte staartband en oranje poten.

Verwarrings­soorten

De kleine kokmeeuw (Chroicocephalus philadelphia) is de soort waar hij in Noord-Amerika altijd tussen zit, en de vergelijking is elke keer dezelfde: die is kleiner en fijner, heeft een dun zwart snaveltje in plaats van een rode, een zwarte in plaats van bruine kap, en van onderen een schone witte vleugelpunt waar de kokmeeuw donkergrijs is. De lachmeeuw (Leucophaeus atricilla) is groter, veel donkerder grijs op de mantel en heeft geen witte wig in de vleugel. De dwergmeeuw (Hydrocoloeus minutus) is veel kleiner, met afgeronde vleugels en een geheel donkere ondervleugel. Twijfel je bij een winterkleed, kijk dan naar de snavel: die is bij de kokmeeuw duidelijk langer en rood met een donkere punt.

Meeuwen vergelijken: poten, kop, snavel en vleugelpunt naast elkaar

Leefgebied

In zijn Euraziatische kerngebied broedt hij in kolonies op eilandjes en drijvende rietkragen in ondiepe meren, moerassen en kwelders, en eet hij het jaar rond van akkers, weiden, vuilstorten en stadsvijvers — geen meeuw is er zo aan de mens gebonden. De vogels die Noord-Amerika bereiken doen dat op een veel smaller front: havens, riviermondingen, spuisluizen, visverwerkingsbedrijven en strandjes langs de noordoostkust, meestal in het gezelschap van kleine kokmeeuwen en ringsnavelmeeuwen. Zoet water landinwaarts gebruikt hij daar veel minder dan in Europa. Zee zoekt hij nauwelijks op: hij blijft in de luwte van de kust.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het areaal loopt van IJsland en West-Europa oostwaarts door Rusland tot Japan en China, en het zwaartepunt ligt met twee tot drie miljoen paren in Europa. In de twintigste eeuw schoof de soort westwaarts op: IJsland werd rond 1911 bezet, Groenland in 1969, en in 1977 kwam het tot broeden in het westen van Newfoundland, waar sindsdien een handvol paren zit — het enige Noord-Amerikaanse bruggenhoofd. Verder is hij op dit continent een onregelmatige gast: van november tot april zeldzaam maar jaarlijks langs de kust van Newfoundland en Nova Scotia tot in New England en New York, in kleiner aantal zuidwaarts tot Virginia, en verder zuidelijk en op de Caraïbische eilanden hoge uitzondering. Het contrast met Europa is daarmee zo groot als het maar kan: daar is hij een van de talrijkste vogels van het land, hier een kruisje op een jaarlijst.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem niet, maar zoek de groepen kleine kokmeeuwen: in een haven of bij een riviermonding aan de noordoostkust, tussen november en maart, en loop de groep rustig langs tot er een vogel opvalt die groter is en een rode snavel heeft. Laat hem daarna opvliegen of wacht tot hij draait: de donkere onderkant van de vleugelpunt is het kenmerk dat geen twijfel overlaat. Newfoundland, met Stephenville Crossing en in mindere mate St. John's, blijft de beste kans van het continent.

Staat van instandhouding

Op wereldschaal is de soort niet bedreigd (LC) en talrijk, maar het Noord-Amerikaanse bruggenhoofd is minuscuul en kwetsbaar. In St. John's op Newfoundland, waar vroeger elke winter tientallen vogels zaten, is hij schaars geworden nadat het afvalbeheer veranderde en de open vuilstorten verdwenen — hetzelfde wat in Europa de winteraantallen in steden drukt. In grote delen van West-Europa lopen de broedaantallen sinds de jaren tachtig terug, door drooglegging van moerassen en door verlies van voedsel op stortplaatsen.

Wetenschappelijke naam

Chroicocephalus ridibundus | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Larus ridibundus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chroicocephalus werd in 1836 ingevoerd door Eyton; de naam is Grieks, van chroa voor kleur en kephale voor kop, naar de gekleurde kap van de soorten in dit geslacht. ridibundus is Latijn voor lachend, van ridere, en slaat op de schrapende roep. Als typelocatie gaf Linnaeus niet meer op dan de Europese zeeën.