Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › Kokardespecht
Kokardespecht | Leuconotopicus borealis
Red-cockaded Woodpecker | Pico de Florida
De kokardespecht is de specht van de open, door vuur onderhouden dennenbossen van het zuidoosten van de Verenigde Staten, en de enige Noord-Amerikaanse specht die zijn holtes uitsluitend in levende dennen uithakt. Hij leeft in familiegroepen waarin jonge vogels jarenlang helpen bij het grootbrengen van nieuwe broedsels. Na een eeuw van bosverlies werd hij een van de bekendste beschermde vogels van het land, en dankzij intensief beheer groeit de populatie weer.
Geluid
Kokardespechten zijn vooral in groep luidruchtig. De gewone roep is een raspend, wat nasaal sklit of sjrit, dat vaak in snelle opeenvolging klinkt wanneer de groep 's ochtends de slaapholtes verlaat of 's avonds terugkeert. Daarnaast geven ze een zacht, rollend tsjurr. Ze trommelen weinig; het geluid van hakkende en schilferende vogels hoog in de dennen is vaak het eerste teken van hun aanwezigheid.
Opname: Scott Gravette — CC BY-NC-SA 4.0 · Coleman Lake, Talladega National Forest, Cleburne Co., AL, United States · xeno-canto
Herkenning
Een kleine tot middelgrote specht van 20 tot 23 centimeter met een zwarte kap en nek, een grote witte wangvlek en een zwarte baardstreep die naar de zijhals doorloopt. De rug is zwart met smalle witte dwarsbanden, de onderkant wit met zwarte vlekjes op de flanken. Het mannetje heeft aan weerszijden van de kap, boven de wangvlek, een piepklein rood streepje, de kokarde, dat in het veld zelden te zien is. Jonge mannetjes hebben in hun eerste maanden een rode vlek midden op de kruin.
Verwarringssoorten
De donsspecht en de haarspecht hebben een witte rugbaan in plaats van een gebandeerde rug, en een zwarte streep door het gezicht die de witte wang in tweeën deelt. De roodbuikspecht heeft ook een gebandeerde rug, maar een lichte kop zonder zwarte kap, met een rode nek. De kleine bruinkopboomklever, die in dezelfde dennenbossen leeft en ook hoog in de dennen rondklautert, kan op afstand verwarring geven, maar is veel kleiner en mist het zwart-wit van kop en rug.
Leefgebied
Oude, open dennenbossen met een grazige ondergroei die door regelmatige branden open wordt gehouden, met als voorkeur de langnaaldden (longleaf pine), maar ook loblolly-, shortleaf- en slash-den. Voor de nestholte kiest hij levende dennen van meestal meer dan tachtig jaar oud, waarvan het kernhout door een schimmel (roodkernrot) is verzacht. Het uithakken van een holte in levend hout kan maanden tot jaren duren; een groep gebruikt een cluster van zulke holtebomen vaak tientallen jaren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel van het zuidoosten van de Verenigde Staten, in elf staten van het zuiden van Virginia tot Florida en westwaarts tot Oost-Texas, Arkansas en het zuidoosten van Oklahoma. Vroeger kwam hij van New Jersey en Maryland tot Florida en westwaarts tot Missouri en Oklahoma voor; in Kentucky, Maryland, Missouri, New Jersey en Tennessee is hij verdwenen. De meeste grote populaties liggen tegenwoordig op overheidsgrond, zoals nationale bossen en militaire terreinen. In Mexico komt de soort niet voor.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek een bekend holtecluster in een nationaal bos of natuurreservaat op en wees er bij zonsopgang of kort voor zonsondergang, wanneer de groep de slaapholtes verlaat of weer opzoekt. Holtebomen zijn te herkennen aan de glimmende, plakkerige harsstrepen die van de ingang langs de stam naar beneden lopen: de vogels hakken rond de holte kleine harsputjes, en de hars weert rattenslangen. Beheerders markeren de holtebomen vaak met een witte verfband.
Staat van instandhouding
De IUCN rekent de soort tot gevoelig (NT). Door kaalkap, omvorming van langnaaldbos tot plantages en het onderdrukken van bosbranden kromp de populatie tot een fractie van de oorspronkelijke omvang; in de jaren zeventig waren er nog zo'n 1.470 groepen. Met gecontroleerd branden, kunstmatige holtes en het verplaatsen van vogels groeide dat tot ongeveer 7.800 groepen, en in oktober 2024 werd de soort onder de Endangered Species Act van bedreigd teruggezet naar kwetsbaar. Partners in Flight schat de populatie op ongeveer 19.000 broedvogels.
Wetenschappelijke naam
Leuconotopicus borealis | (Vieillot, 1809)
Louis Pierre Vieillot beschreef de soort in 1809 als Picus borealis. Hij meende dat de vogel uit het noorden van de Verenigde Staten kwam, vandaar borealis, Latijn voor 'noordelijk', een ongelukkige naam voor een zuidelijke soort; Wetmore legde de typelocatie later vast op Mount Pleasant in South Carolina. Omdat de soort in een ander geslacht is ondergebracht, staan auteur en jaartal tussen haakjes; hij staat nu in Leuconotopicus ('witrugspecht'). De Engelse naam verwijst naar de rode kokarde van het mannetje.

