Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › Haarspecht
Haarspecht | Leuconotopicus villosus
Hairy Woodpecker | Pico velloso
De haarspecht is de grote dubbelganger van de donsspecht: zwart-wit, met een brede witte baan over het midden van de rug en een krachtige snavel die bijna even lang is als de kop. Hij komt voor van de boreale bossen van Alaska tot de bergen van Panama en is in bijna elk bos met flinke bomen te vinden. Het mannetje draagt een rode vlek in de nek; het vrouwtje heeft een geheel zwart-witte kop.
Geluid
De roep is een scherp, luid piek!, duidelijk krachtiger en hoger dan het zachte pik van de donsspecht. Bij opwinding volgt een snelle, rinkelende rateltril die op één toonhoogte blijft, terwijl die van de donsspecht aan het eind daalt. Het trommelen is een harde, snelle roffel, sneller dan die van de donsspecht, waarmee paren in de late winter hun territorium markeren en elkaar opzoeken.
Opname: Valerie Heemstra — CC BY-NC-SA 4.0 · Wells Township (near Escanaba), Delta County, Michigan, United States · xeno-canto
Herkenning
Een middelgrote specht van 18 tot 26 centimeter, met zwarte bovendelen, een brede witte rugbaan en witte vlekken op de zwarte vleugels. De kop is zwart met een witte wenkbrauwstreep en een witte baan onder het oog; de onderkant is wit, en de buitenste staartveren zijn zuiver wit, zonder zwarte vlekjes. De snavel is lang en dolkvormig. Het mannetje heeft een rode nekvlek; jonge vogels hebben vaak rood of oranje op de kruin. Westelijke vogels hebben minder witte vleugelvlekken, vogels van de Pacifische kust en Midden-Amerika een bruingrijs getinte onderkant.
Verwarringssoorten
De donsspecht is vrijwel een kleine kopie, maar heeft een korte, dunne snavel van hooguit een derde van de koplengte, zwarte vlekjes of streepjes op de witte buitenste staartveren en een zachtere roep; hij foerageert ook op dunne twijgen en kruidenstengels, wat de haarspecht zelden doet. De Amerikaanse drieteenspecht heeft een gebandeerde rug en flanken en bij het mannetje een gele kruin, de zwartrugspecht een geheel zwarte rug. Nuttalls specht en de ladderspecht hebben een zwart-wit gebandeerde in plaats van witte rug.
Leefgebied
Rijp loof-, naald- en gemengd bos met middelgrote tot grote bomen, van laagland tot in de bergen; in Mexico en Midden-Amerika vooral dennen- en eikenbos in de hooglanden. Hij komt ook voor in bosjes, boomrijke woonwijken en parken, en duikt snel op in pas verbrand bos of bij uitbraken van schorskevers. Anders dan de donsspecht blijft hij bij stammen en dikke takken, en voor de nestholte kiest hij meestal een dode stam of tak van een levende boom.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Een van de wijdst verbreide spechten van het continent: van centraal Alaska en de boomgrens in Canada zuidwaarts door vrijwel de hele Verenigde Staten, en verder door de bergen van Mexico en Midden-Amerika tot in het westen van Panama; daarnaast op de noordelijke Bahama's. In het grootste deel van het areaal is hij standvogel; vogels uit het uiterste noorden trekken 's winters beperkt zuidwaarts. Er worden zeventien ondersoorten onderscheiden, die van noord naar zuid kleiner en donkerder worden.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zie je een zwart-witte specht aan een voederplek met reuzel, vergelijk dan eerst de snavel met de kop: bij de haarspecht bijna even lang, bij de donsspecht veel korter. Het scherpe piek! is vaak eerder te horen dan de vogel te zien is. In bos zoeken haarspechten regelmatig de verse hakplekken van de Noord-Amerikaanse helmspecht na, op zoek naar achtergebleven larven en mieren.
Staat van instandhouding
De IUCN rekent de soort tot niet bedreigd (LC). Partners in Flight schat de wereldpopulatie op ongeveer 8,9 miljoen broedvogels, en volgens de Breeding Bird Survey nam het aantal tussen 1966 en 2019 met ongeveer 0,7 procent per jaar toe. Versnippering van bos en concurrentie om nestholtes met de ingevoerde spreeuw kunnen de soort op termijn parten spelen. Als eter van keverlarven en van de Europese maïsboorder geldt hij als nuttige bestrijder van plaaginsecten in bos en boomgaard.
Wetenschappelijke naam
Leuconotopicus villosus | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Picus villosus, mede op basis van de afbeelding van Mark Catesby; als herkomst gaf hij Noord-Amerika op, met vermelding van Raccoon in New Jersey. Omdat de soort sindsdien in een ander geslacht staat, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Leuconotopicus, in 1845 ingevoerd door Alfred Malherbe, komt van het Griekse leukos 'wit' en nōtos 'rug' met het Latijnse picus 'specht'; villosus is Latijn voor 'harig', naar de lange, haarachtige veren van de witte rugbaan.


