Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Grote Geelpootruiter
Grote Geelpootruiter | Tringa melanoleuca
Greater Yellowlegs | Archibebe patigualdo grande
De grote geelpootruiter is de luidruchtigste steltloper van het moeras: lang van poot, lang van hals, met dooiergele poten en een lange, aan de basis dikke en iets opgewipte snavel. Hij vliegt meestal op voordat je hem hebt gezien en roept daarbij drie of vier heldere noten waaraan hij op grote afstand te herkennen is. Hij broedt verspreid over duizenden kilometers veenland in het boreale bos, en juist daardoor is hij van alle Noord-Amerikaanse steltlopers een van de moeilijkst te tellen soorten.
Geluid
De alarmroep is een reeks van drie of vier heldere, doordringende noten, tjew-tjew-tjew, met kracht uitgestoten en licht dalend; het is het geluid waarmee hij een heel moeras waarschuwt. Vergeleken met de kleine geelpootruiter zijn het er meer, klinken ze luider en dalen ze sterker — die soort roept één of twee vlakke noten. Op de broedgronden zingt het mannetje in een lange golvende baltsvlucht een aanhoudend toe-wie toe-wie, soms minutenlang achtereen. Bij het nest klinkt daarnaast een kort, hard kip dat hij vanaf de top van een sparretje herhaalt. Wie een gemengde groep steltlopers laat opvliegen, hoort deze soort als eerste.
Opname: Don Profota — CC BY-NC-SA 4.0 · South Bozeman, Gallatin County, Montana, United States · xeno-canto
Herkenning
In broedkleed is de bovenzijde donkergrijs met zwarte en witte vlekken, zijn hals en borst dicht zwart gestreept en zijn de flanken tot ver naar achter zwaar gebandeerd. In winterkleed is hij egaler grijs met witte spikkels op de rug en alleen een fijne streping op hals en borst. In elk kleed valt een smalle witte oogring op en zijn de poten helder geel, in het voorjaar bij sommige vogels oranjegeel. De snavel is ongeveer anderhalf maal zo lang als de kop, aan de basis dik en grijs, en buigt in het laatste deel licht omhoog. In de vlucht is de vleugel egaal donker zonder streep, is de stuit wit en de staart fijn gebandeerd, en steken de tenen voorbij de staart. Op de grond loopt hij met opgetrokken knieën en een hoge, staccato pas door ondiep water.
Verwarringssoorten
De kleine geelpootruiter (Tringa flavipes) vormt met deze soort het klassieke verwarringspaar: die is ruim een derde kleiner, en zijn snavel is recht, geheel donker en ongeveer even lang als de kop, terwijl die van de grote geelpootruiter langer is, aan de basis lichter en aan de punt iets opgewipt. Alleen de roep is op elke afstand betrouwbaar: drie of vier luide dalende noten tegen één of twee vlakke. De kleine grijze snip (Limnodromus griseus) heeft kortere, groenige poten, een lange rechte snavel en een witte wig over de rug. De groenpootruiter (T. nebularia), in Alaska een gast uit Azië, heeft dofgroene poten en dezelfde witte wig over de rug. De willet (T. semipalmata) is grijzer en zwaarder en toont in de vlucht een breed zwart-wit vleugelpatroon.
Strandlopers, ruiters en snippen vergelijken: snavel, poten, vleugelstreep en stuit
Leefgebied
Broeden doet hij in de muskeg (drassig veenmoeras met sparren, kenmerkend voor het boreale Canada): het natte veenland van het boreale bos, met veel kleine plassen, zeggevelden en verspreide lage sparren, waar het nest in het mos aan de voet van een boompje ligt. Buiten de broedtijd gebruikt hij bijna elk ondiep water: slikplaten en kwelders langs de kust, de randen van zoutlagunen, geïnundeerde akkers, rijstvelden, waterzuiveringsvijvers en droogvallende oevers van stuwmeren. Anders dan de meeste steltlopers foerageert hij vaak buikdiep wadend of zelfs zwemmend, met zijwaartse uithalen door het water, en jaagt hij op visjes en garnalen naast het gewone bodemleven. Wat hij mijdt is droog land en zandstrand zonder ondiepte ernaast.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt in een brede band veen en muskeg van zuidelijk Alaska en het zuiden van Yukon en de Northwest Territories oostwaarts door het boreale bos tot Newfoundland en Labrador. Vanaf juli trekt hij in kleine groepjes zuidwaarts, over het hele werelddeel tegelijk en niet langs één kustroute, en de laatste vogels verlaten Canada pas in november. Overwinteren doet hij van Washington en New Jersey zuidwaarts langs beide kusten, door heel Mexico en het Caraïbisch gebied, en verder tot Vuurland; dat winterareaal strekt zich over twee werelddelen uit. In het binnenland van de Verenigde Staten is hij vooral doortrekker, en de kleine aantallen die daar blijven zitten in het zuiden. Zijn areaal is in de laatste eeuw niet duidelijk verschoven; wat veranderde is het aantal.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in april of in september langs een geïnundeerde akker of een waterzuiveringsvijver staan en wacht tot er iets opvliegt: de eerste vogel die roept is bijna altijd deze soort, en aan het aantal noten weet je meteen of het de grote of de kleine geelpootruiter is. Staan ze samen, vergelijk dan de snavel met de kop: bij de grote steekt hij er ruim een halve kop voorbij, bij de kleine niet. Kleuren de poten van een vogel in het voorjaar oranje, dan is dat geen andere soort.
Staat van instandhouding
De Rode Lijst voert de soort als gevoelig (NT), de trede onder bedreigd, en Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 140.000 vogels. De tellingen wijzen op een verlies van meer dan de helft in vijftig jaar, met een versnelling in de laatste jaren; de soort staat daarom op de Amerikaanse lijst van vogels op een kantelpunt. De oorzaken liggen vooral buiten het broedgebied: verlies van moeras en kwelder in de overwinteringsgebieden, en jacht op steltlopers in delen van het Caraïbisch gebied. Omdat hij dun verspreid over de muskeg broedt, rust elke trendschatting op tellingen van doortrekkers en niet op het broedgebied zelf.
Wetenschappelijke naam
Tringa melanoleuca | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Scolopax melanoleuca, bij de snippen; sinds ze in het geslacht Tringa is ondergebracht, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Tringa gaat terug op het Griekse trungas, bij Aristoteles de naam van een witgestuite vogel van de waterkant. melanoleuca is samengesteld uit het Griekse melas, 'zwart', en leukos, 'wit', naar het zwart-wit gevlekte bovenkleed. De typelocatie is de zandkust van Labrador, later beperkt tot Chateau Bay. De beschrijving verscheen in de dertiende uitgave van het Systema Naturae, die Gmelin bezorgde.




