Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Fazant

Fazant | Phasianus colchicus

Ring-necked Pheasant | Faisán vulgar

De fazant is een forse hoendervogel met een lange, gestreepte staart, oorspronkelijk uit Azië en aan het eind van de negentiende eeuw als jachtwild in Noord-Amerika uitgezet. Uit een handvol vogels die in 1881 in de Willamette-vallei in Oregon werden losgelaten, groeide binnen enkele decennia een populatie die zich over het hele noorden van het continent verspreidde. In grote delen van de Great Plains en het Midwesten is hij vandaag de belangrijkste jachtvogel van het open land.

Fazant (Phasianus colchicus)
Foto: Griha Hasanov (iNaturalist) — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In het voorjaar geeft het mannetje vanaf de grond een kort, schor tweetonig gekraai, kork-kok, onmiddellijk gevolgd door een luid geratel met de vleugels; het geluid draagt ver over open akkerland en is meestal het eerste teken van zijn aanwezigheid. Hij herhaalt het de hele ochtend vanaf dezelfde uitkijkplek — een paal, een heuveltje, een greppelrand — en ook als reactie op een onverwacht geluid zoals een dichtslaand portier of een naderende trekker. Het vrouwtje is veel stiller: haar gewone geluid is een zacht klokkend contactgeroep, en bij het opvliegen een schelle reeks korte, hoge kreten die de vleugelslag begeleidt.

Luister: ZangXC1137297

Opname: Jens Schöller — CC BY-NC-SA 4.0 · Straubing-Bogen (near Kirchroth), Lower Bavaria, Bavaria, Germany · xeno-canto

Herkenning

Het mannetje heeft een koperkleurig, sterk iriserend verenkleed met een donkergroene kop, rode gezichtshuid rond het oog en meestal een witte halsband — al mist een deel van de vogels die band, een erfenis van de gemengde herkomst van de Noord-Amerikaanse vogels. De lange, spits toelopende staart met brede dwarsbanden is zowel in vlucht als op de grond een van de beste kenmerken. Het vrouwtje is egaal zandkleurig en fijn getekend, met een kortere maar nog altijd lange staart. Jonge vogels lijken op het vrouwtje; bij jonge hanen groeit de staart al snel voorbij die van de hen, wat dan het eerste teken van het geslacht is.

Verwarrings­soorten

In grasland verward men het vrouwtje weleens met de prairiehoenders van het geslacht Tympanuchus, maar die hebben een veel kortere, ronde staart en missen de lange spitse staartveren van de fazant volledig. De patrijs (Perdix perdix), die in delen van het noorden hetzelfde landbouwgebied deelt, is een derde zo klein en heeft een kort, afgerond staartje. Losgelaten of verwilderde tamme fazanten met een geheel wit of donker verenkleed komen plaatselijk voor; het is geen andere soort, alleen een andere kleurvorm.

Leefgebied

Bouwland met graan, mais of luzerne, afgewisseld met ruige slootkanten, heggen en braakstroken, is het kerngebied: de fazant broedt in dichte grasranden maar zoekt zijn voedsel het liefst op kaal of kortgehouden land ernaast. In de noordelijke Great Plains is dicht rietland langs beken en moerasjes onmisbaar als winterschuilplaats bij zware sneeuwval en felle kou. Gesloten bos, hooggebergte en aaneengesloten stedelijk gebied worden gemeden, en in het vochtige zuidoosten en het droge zuidwesten van de Verenigde Staten is de soort er ondanks herhaalde uitzettingen nooit blijven zitten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

De eerste geslaagde introductie vond in 1881 plaats in de Willamette-vallei in Oregon, met vogels afkomstig uit Shanghai; Washington volgde in 1883 en Californië in 1889. Van daaruit werd de fazant in de decennia erna over vrijwel het hele akkerbouwgebied van Noord-Amerika uitgezet, met de dichtste populaties in de brede band van graan- en maïsland die van de Rocky Mountains tot de Grote Meren loopt. Hij is nu standvogel in het grootste deel van het noorden van de Verenigde Staten, in de zuidelijke prairieprovincies van Canada en zuidelijk Ontario, en plaatselijk op Hawaï; in het zuidoosten en het zuidwesten van de Verenigde Staten is de soort ondanks pogingen niet gevestigd geraakt. Hij trekt niet: fazanten blijven het jaar rond binnen enkele kilometers van hun geboorteplek, en de huidige verspreiding is dus vrijwel geheel het resultaat van uitzetting, niet van eigen uitbreiding.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Sta in het late voorjaar vóór zonsopgang aan de rand van een graanveld of een braakstrook: het gekraai van het mannetje draagt ver over het vlakke land en verraadt zijn positie al voor het licht wordt. In de winter is een dicht rietveld of een verwilderde slootkant de betrouwbaarste plek, vooral in de sneeuwrijke staten van de noordelijke Great Plains, waar tientallen vogels dezelfde schuilplaats delen. Opgejaagd vliegt hij bijna altijd laag en recht vooruit, een korte uitbarsting van klappende vleugelslagen gevolgd door een lange zweefvlucht.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC), en in Noord-Amerika met miljoenen vogels een van de talrijkste jachtvogels; in South Dakota alleen al worden jaarlijks ruim een miljoen fazanten geschoten. De populatie steunt voor een deel op doorlopende bijzetting vanuit kwekerijen en op braaklandregelingen voor akkerbouwers; waar die regelingen worden afgebouwd en de landbouw intensiveert, lopen de aantallen sinds enkele decennia terug.

Wetenschappelijke naam

Phasianus colchicus | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Phasianus colchicus, in het geslacht waarin ze nog altijd staat; auteur en jaartal staan daarom zonder haakjes. Phasianus is de Latijnse vorm van het Griekse phasianos, 'vogel van de Phasis', de rivier in Colchis waar de Grieken de fazant vandaan dachten te hebben; colchicus, 'van Colchis', herhaalt diezelfde herkomst. De typelocatie is later beperkt tot de rivier de Rioni, vroeger de Phasis, in het westen van Georgië. De Noord-Amerikaanse vogels gaan niet terug op deze nominaatvorm maar op een mengsel van Aziatische en Europese ondersoorten, vooral de Chinese P. c. torquatus (met halsring), gemengd met ringloze vormen, wat de vaak onvolledige halsband verklaart.